Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jager scheen zich een poosje te bedenken, en riep toen op een stelligen toon, die blijkbaar op den Indiaan indruk maakte:

„Neen, dat is ook zoo, deze twee Sachems zijn geen verraders, maar zij staan op het punt van het te worden; al de gevaren die ons bedreigen, hebben zij ons op den hals gehaald, door hun onverzadelijken hartstocht en dorst naar wraak."

„Dat mijn broeder zich nader verklare," riep de Sachem geheel buiten zich zelve van verbazing, „zijn woorden zijn al te ernstig."

„Ik deed verkeerd die te uiten," antwoordde de jager met geveinsde zedigheid. „Ik ben maar een vredelievend man, aan wien .de Wacondah de taak opdroeg om, naar de kennis die hij bezit, ongelukkigen te helpen en het lijden der menschheid te verzachten; ik ben maar een zwakke boom, die niet pogen mag den ouden krachtvollen eik te ontwortelen, wiens gewicht in zijn val genoeg zou zijn om mij te verpletteren. Dat mijn broeder mij vergeve, ik heb mij onverantwoordelijk en al te onvoorzichtig door mijn gevoel laten wegslepen."

„Neen, neen," riep de Sachem, hem met kracht bij den arm grijpende, „dat kan zoo niet zijn nu mijn vader eenmaal begonnen is te spreken moet hij voortgaan en mij alles zeggen."

Met de hem eigen snelbesloten kalmte had de jager spoedig een geheel plan beraamd, volkomen berekend op het wantrouwig karakter der Indianen ; hij veinsde dus de dringende nieuwsgierigheid van het opperhoofd te wederstaan en niet verder in de bijzonderheden te willen komen; maar hoe meer de gewaande geneesheer weigerde iets te zeggen, hoe sterker het opperhoofd aanhield om hem aan 't spreken te krijgen. Eindelijk hield zich de Canadees alsof hij zich door de — soms met gebeden gemengde — bedreigingen van zijn gastheer liet vervaard maken, en onder menige betuiging van vrees, dat hij zich den haat der twee bedoelde opperhoofden zou op den bals halen, stemde hij tenslotte toe en gaf hij al de inlichtingen die Atoyac zoo dringend verlangde.

„Zie hier wat er van de zaak is," zeide hij: „ik zal mijn broeder de feiten opgeven, zooals die tot mijn kennis zijn gekomen; alleen verzoek ik mijn broeder zich plechtig te verbinden, dat hij na alles gehoord te hebben, mij, vreedzaam en vreesachtig mensch, niet in deze zaak zal betrekken, zoo 'zelfs dat mijn naam niet zal worden genoemd en de opperhoofden, wier gedrag ik ga ontmaskeren, niet zullen weten dat ik te Quiepa-Tani ben,"

„Dat mijn vader vrijuit en in het volste vertrouwen spreke," zei Atoyac; Ik zweer hem bij den grooten naam van den Wacondah en bij den grooten Ayotl, — schildpad — dat, wat er ook moge gebeuren, zijn naam in deze zaak niet zal worden genoemd, niemand zal ooit vernemen op welke wijze ik de berichten verkregen heb die hij mij geeft. Atoyac is een der voornaamste Sachems te Quiepa-Tani; als het hem behaagt iets te zeggen, hebben zijn woorden geen nadere bevestiging noodig dan zijn eigen'getuigenis."

Gelijk in dergelijke omstandigheden meestal gebeurt, was het opperhoofd, behalve de onrust die de geveinsde terughouding bij hem had opgewekt, niet rouwig over den invloed dien hij rich door zulke belangrijke mededeelingen verschaffen, en de gewichtige rol die hij waarschijnlijk bij de daaruit volgende gebeurtenissen spelen zou.

Sluiten