Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jager boog en volgde den opperpriester.

Deze bracht hem over een ruime binnenplaats geheel met briksteen in cement geplaveid, en leidde hem zes trappen van blauw en groen geaderd marmer op, tot aan een klein paviljoen volkomen afgezonderd van het hoofdgebouw waar de zonnemaagden gehuisvest waren. De opperpriester sloot de deur, door welke hij het paviljoen was binnengekomen, zorgvuldig achter zich dicht..

Nu gingen zij .door een soort van antichambre en hier een dik gordijn wegschuivende, dat voor een vrij smalle fleur hing, leide hij den vermeenden arts m een prachtige op Indiaansche wijze gemeubelde zaal.

De opperpriester, om de jonge dames zooveel mogelijk te doen vergeten dat zij opgesloten waren, had hare gevangenis met de uiterste zorg laten vergulden en er alles doen aanbrengen wat haar gemak of genoegen kon geven.

Het vertrek was geheel zonder vensters en werd alleen verlicht door vier ocofe-fakkels, die in gouden in den muur vastgeslagen ringen waren gestoken, en wier flikkerend schijnsel een somber en zwak licht in 't rond verspreidde.

Daar zat met de armen op de borst gekruist en de oogen vol tranen, dona Luisa, de vriendin, of liever de zuster in lijdenssmart en trouwe gehechtheid. De toestand van verslagenheid waarin dona Luisa zich bevond, bewees dat ook zij, ondanks de meerdëre sterkte van haar karakter, sedert eenigen tijd, alle hoop om eenmaal uit hare gevangenis verlost te worden, had opgegeven en dat dezelfde kwaal van hare vriendin ook haar bedreigde.

Naast haar in een elegante van palmbladeren gevlochten en geheel met vederen versierde hangmat, ongeveer vijftig duimen boven den grond verheven, lag een jonge vrouw, wier aangezicht, hoezeer uitstekend schoon, bijzonder bleek was en duidelijke sporen droeg van diepe droefheid, zoowel als van ernstige ongesteldheid.

Deze jonge vrouw was dona Laura de Real del Monte.

Zoodra dona Luisa de twee mannen zag binnenkomen, scheen zij te schrikken en bedekte zij haar gelaat met beide handen. De jager begreep terecht dat hij de ontknooping van het tooneel stout moest beginnen, hij wendde zich derhalve tot zijn gids, en sprak met een nadrukkelijke stem: - „De Wacondah is machtig; de AyoÜ — schildpad — draagt de wereld op zijn schild. Zijn geest is het die mij bezielt, ik moet met de zieken alleen worden gelaten, om den aard der kranke die haar foltert op haar aangezicht te kunnen lezen."

De opperpriester aarzelde; hij schoot den thacateotzin een doorborenden blik toe, als wilde hij zijn geheimste gedachten doorgronden; maar hoezeer ook sedert jaren gewoon om zijn medeburgers door fanatieke huichelarij te bedriegen, was hij echter te veel Indiaan, en in deze hoedanigheid even vatbaar voor bijgeloovige vrees als zijn misleide landgenooten; hij aarzelde dus.

„Ik ben Amantzin," zeide' hij op eerbiedigen toon, „de Wacondah zal dus mijn tegenwoordigheid hier met welgevallen opmerken."

„Dat mijn vader dan blijve, zoo hem dit behaagt; ik kan hem niet dwingen om zich te verwijderen," antwoordde de Canadees kordaat, daar hij er tot iederen prijs een einde aan wenschte te maken; „maar in dit geval sta ik niet in voor de verschrikkelijke gevolgen zijner ongehoorzaam-

Sluiten