Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid; de geest die mij bezielt is ijverzuchtig, hij wil gehoorzaamd worden; mijn vader bedenke dit."

De opperpriester boog deemoedig het hoofd.

„Ik zal heengaan," zeide hij; „mijn broeder vergeve mij mijn dringend verzoek."

En hij ging de zaal uit.

De Canadees vergezelde hem stilzwijgend tot aan de deur der vestibule, sloot die zorgvuldig achter hem dicht en keerde snel naar de jonge dames terug.

Dezen zagen hem met angst naderen, en krompen weg van schrik. „Vreest niet," zeide hij met bewogen stem; „ik ben een vriend." „Een vriend!" riep dona Luisa, die reeds bevend in een hoek van de kamer zat.

„Ja," antwoordde hij schielijk, „ik ben de Canadeesche jager Loer-Vogel, de vriend en metgezel van don Miguel."

Dona Laura kwam in haar hangmat overeind, en een half gesmoorde kreet van blijde verrassing ontsnapte aan haar boezem.

„Stilte I" riep de jager, „men zou ons misschien hooren."

Dona Luisa staarde met verwezen blik op dit tooneel, waar zij niets van begreep.

„Gij I de Canadeesche jager !" riep eindelijk don aLaura op een aarzelenden en twijfelachtigen toon, die zich moeilijk laat beschrijven.

„O I kunnen wij dan nog gered worden 1 zgn wij dan nog niet van allen verlaten 1"

Zij liet zich zacht op den grond afglijden, knielde vroom neder, vouwde de handen en smeekte, terwijl zij in tranen baadde:

„O! mijn God! genade 1 genade 1 Vergeef mij, dat ik ooit aan uw goedheid heb getwijfeld."

Toen met drift opstaande, greep zij den jager bij de handen en drukte die met kracht.

„En don Miguel," riep zij, waar is hij?"

„Hier dicht bij, hij wacht u. Maar wat ik u bidden mag, wees voorzichtig en luister, want onze oogenblikken zijn kostbaar."

„O, Caballero, voer ons weg 1 voer ons toch spoedig weg 1" riep dona Luisa, eindelijk geheel van hare bedwelming en verbazing herstellende.

„Weldra 1"

„Ja I ja I red ons 1" riep dona Laura, „mijn vader zal u er voor beloonen."

Loer-Vogel glimlachte.

„Uw vader zal bovenmate gelukkig zijn als hg u wederziet." Dona Laura sloeg haar schoone oogen, die schitterden van blijdschap, naar hem op.

„Mijn vader!" riep zij, „waar is hij ?" toen hervatte zg : „Neen, dien kan ik zoo spoedig niet wederzien, hg is te ver van hier, veel te ver I"

„Hij is bij don Miguel in het bosch; stel u maar gerust."

„Mijn God !" riep het jonge meisje, „dat is te veel geluk."

Op dit oogenblik hoorde men de zware voetstappen van een man den marmeren trap opkomen.

„Daar komt iemand," zei de jager schielijk; „wees op uw hoede."

Sluiten