Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenden last ontheven is. De Indianen oordeelden thans het oogenblik gunstig om hem te naderen en hem eenige vragen te doen, die zij vurig verlangden beantwoord te zien.

„Hoe is het, vader?" vroegen beiden.

„Spreek," vervolgde de opperpriester; „wat schort u ?"

De jager wierp «ie oogen woest in het rond, zuchtte nogmaals en prevelde met een zachte, haperende stem:

„De geest bezit mij, hij verteert het merg in mgn gebeente."

De Indianen wisselden een vreesachtigen blik en traden met schrik eenige passen terug.

„O, Wacondah I" hervatte de Canadees, „waarom hebt gij aan uw dienaar deze noodlottige kennis geschonken ?"

Bij deze sombere woorden voelden de twee Roodhuiden het bloed als in hun aderen stollen, een huivering van angst vóer hun door de leden en zg stonden met knikkende knieën te klappertanden. Loer-Vogel trad langzaam naar hen toe; zij zagen hem naderen, maar durfden hem niet te ontwijken; de jager legde zijn rechterhand op den schouder des opperpriesters, zag hem met een doorborenden blik aan en sprak met een sombere stem :

„Dat de zonen van den gewijden Ayotl zich wapenen met moed 1"

„Wat bedoelt mijn vader?" mompelde de bevende grijsaard.

„Een booze geest heeft zich van die twee blanke meisjes meester gemaakt," vervolgde de jager; „die booze geest zal vanaf dezen avond al degenen doodslaan die het wagen haar te naderen, want door de ontzaggelijke wetenschap waarmede de Wacondah mij begiftigde, is het mg gelukt de boosaardige invloeden te leeren kennen die zich van haar hadden meester gemaakt."

De beide Indianen, lichtgeloovig als al hun stamgenooten, deden een stap achteruit. De jager, om zgn gezegde nog meer te bevestigen, veinsde daarop een nieuwen aanval te krijgen en deed alsof hg kampte tegen den boozen geest die hem bevangen had.

„Maar wat moet er gedaan worden om haar van die noodlottige macht te verlossen ?" vroeg Atoyac schroomvallig.

„Iedere kracht en wijsheid komt van den Wacondah,' antwoordde de Canadees; „ik zal dus aan mijn vader den Amantzin verzoeken of ik dezen nacht met gebeden mag doorbrengen in den tempel der Zon."

De Indianen wisselden een blik van diepe bewondering.

„Dat mijn vader handele naar goedvinden," antwoordde de opperpriester met een buiging; „zgn wenschen zullen voor mg bevelen zgn."

„Draag vooral zorg," hervatte de jager, „dat tusschen heden en morgen niemand bij de blanke meisjes worde toegelaten; wellicht zal de Wacondah mijn gebeden verhoören en mg de middelen aanwgzen van welke ik mij bedienen moet."

De Amantzin boog weder, ten bewijze van toestemming.

„Het zal geschieden. Mijn vader gelieve mg slechts te volgen en ik zal hem in den tempel binnenleiden."

„Neen," antwoordde Loer-Vogel, „dat kan niet, ik moet het heiligdom alleen binnentreden; laat mijn vader mij maar zeggen hoe ik de deur moet openen." . . '

De opperpriester gehoorzaamde, en beduidde hem hoe hg den sluitboom en de grendels moest wegschuiven die den tempel afsloten.

Sluiten