Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich vergenoegende met de deur achter zich ongesloten te laten, wel overtuigd dat niemand hem zou durven storen, vooreerst wegens de heiligheid der plaats, en ten tweede uit hoofde der bijgeloovige vrees die hij den Roodhuiden had weten in te boezemen.

Met zijn verzoek aan den opperpriester om den nacht in het heiligdom te mogen doorbrengen, had de jager geen ander doel, dan om de maatregelen, die hij tot bevrijding der jonge meisjes noodig achtte, met den mantel van den godsdienst te bedekken, en tevens eenige vrije uren te vinden, om zonder door de lastige welwillendheid der familie en' vrienden van zijn gastheer te worden gehinderd, zijn beraamd plan tot bevrijding der jeugdige gevangenen nader te kunnen overwegen.

Het inwendige des tempels was zeer somber; de eenige lamp die voor de offertafel brandde, verspreidde slechts een flauw en schemerachtig licht, te zwak om de duisternis te verdrijven. Loer-Yogel trok zich achter in den donkersten hoek des tempels terug, hurkte op den grond neder, haalde de pistolen uit zijn borstzak en legde die onder zijn bereik om ze desnoods te kunnen gebruiken; na zich toen met een scherpen blik in de hem omgevende duisternis verzekerd te hebben dat alles eenzaam en stil was, begon hij over zyn zaken na te denken. Intusschen voelde hij langzamerhand, hetzij door vermoeienis, hetzij deor den indruk der plaats waar hij zich bevond, in weerwil van zijn aangewende pogingen om wakker te blijven, zijn oogleden zwaarder worden en zich onwillekeurig sluiten; eindelijk zonk hy' in de armen van den slaap, die hem onweerstaanbaar overmeesterde.

Hoe lang heeft hy' wel geslapen ? Hij zelf had het u niet kunnen zeggen, toen een licht gedruisch, niet ver van hem af, hem plotseling de oogen deed openen. Evenals alle menschen die gewoon zijn aan een onrustig en gevaarvol leven in de wildernis, waar men gedurig op zyn hoede moet zyn, bezat de jager zulk een scherpte van gehoor en snelle gewaarwording, dat hij, hoe zwaar ook vermoeid, op het minste geritsel wakker werd; en vooral wanneer hij wist dat hy' zich in een gevaarlijke positie bevond, was zyn slaap nog lichter dan die van een kind. Nauwelijks was Loer-Yogel ontwaakt, of hij keek rond, maar wachtte zich wel om de minste beweging te maken, waardoor hij zou hebben verraden dat hij niet meer sliep. Hij zag intusschen niets; het was nog altijd nacht, en wat erger is, het was stik donker, want de maan was op dit oogenblik achter de wolken en de lamp uitgedaan. Hy' begreep dus terstond dat er iemand in den tempel moest zijn gekomen, waarschijnlijk om hem te bespieden. Maar wie had aldus den gewijden tempel durven' overschrijden ? Slechts tweeërlei soort van lieden konden dit hebben gewaagd, namelijk vrienden, of vijanden. Vrienden ? Hij had er maar een in de stad, namelyk de Vliegende-Arend, en zoo deze hier was geweest, zou hij gewis, als een krijgsman betaamt, vrij en frank zijn te werk gegaan, maar niet als een dief in en uit zyn geslopen, op gevaar af van zich een kogel door den kop te zien jagen. Het moest dus een vijand zijn geweest. Maar wie ? Die hij er van verdenken kon, namelijk Addick of de Roode-Wolf, kenden hem niet, en bovendien zouden zy' hem toch niet hebben herkend door zijn vermomming, waarmede hij reeds vrij wat scherper oogen had misleid dan de hunne; overigens had hij gedurende den loop van den dag de beide Sachems geen enkele maal ontmoet, zij konden het derhalve niet geweest zijn. Maar wie dan ? Dit

Sluiten