Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet dooden kunnen, anders zou het zeker reeds lang gebeurd zijn in het tal van jaren dat ik in de woestijn rondzwierf."

Don Miguel moest onwillekeurig lachen over de koelbloedigheid waarmede de oude jager deze zonderlinge meening uitsprak.

„Welnu, wat kunt gij er ten slotte dan tegen hebben om mijn plan te volgen ?"

„Omdat het niet deugt," zei Vrij-Kogel; „dat de Indianen mij niet kunnen doodschieten, is nog geen bewijs dat zij mjj niet kunnen raken. Geloof mij, don Miguel, wij moeten voorzichtig zijn; als een van ons beiden reeds dadelijk buiten gevecht werd gesteld, wat zou er dan van den andere worden ?"

„Dat is waar, maar kunt gij mij dan een beter plan voorstellen ?" „Ik denk wel van ja."

„Welnu, laat dan hooren; als het goed is, zal ik het aannemen; ik ben volstrekt niet naijverig op een beter oordeel." „Goed ; kunt gij zwemmen ?" „Waarom vraagt gij dat ?"

„Eerst antwoorden, dan zult gij het dadelijk weten." „Ik zwem als een visch."

„En ik als een otter; wij zijn dus in voortrefïelijken staat. Let thans op hetgeen ik u zeggen zal." „Ga door."

„Gij ziet die rivier daar wel, niet waar ? een weinig rechts." „Welzeker 1"

„Goed ; die rivier loopt midden door de stad, die zij in tweeën snijdt, is het zoo niet ?" „Ja!"

„Gesteld nu eens dat de Roodhuiden wisten dat wij ons hier in den omtrek bevinden, van welken kant zouden zij dan een aanval wachten ?" „Van den kant der vlakte, dat spreekt van zelf."

„Al beter en beter; — waar dus de muren bezet zijn met schildwachten, die de vlakte in alle richtingen bewaken, terwijl de rivier, van welken kant zij geen gevaar vermoeden, volkomen verlaten zal zijn."

„Maar al te waar I" riep don Miguel zich voor het hoofd slaande ; „dat ik daaraan niet gedacht heb I"

„Men kan niet aan alles denken," antwoordde Vrij-Kogel zoo bedaard mogelijk.

„Beste vriend, ik zeg u dank voor dat uitnemend idee ; thans zijn wy ten minste zeker dat Wij in de stad zullen komen."

„Laten wij de huid van den beer niet verkoopen, voordat vrij hem... gij kent het oude spreekwoord. Evenwel, niets belet ons om het te beproeven."

Zij gingen terstond rechts af, om de rivier te naderen, die zij een kwartier later bereikten. De oevers waren eenzaam; de rivier, zoo effen en kalm als een spiegel, lag aan hun voeten en had veel van een zilveren lint.

„Thans," hervatte Vrij-Kogel, „moeten wij ons niet te veel haasten ; al kunnen wij zwemmen, zullen wij die kunst liever voor het laatst bewaren, als wij geen ander redmiddel meer weten. Doorzoek gy nu eerst al de boschjes aan den eenen kant, terwyl ik een anderen kant opga; want ik zou mij zeer bedriegen, als wy niet hier of daar een prauw vonden."

Sluiten