Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij zijn gereed u te volgen, Loer-Vogel, zoodra gij het ons bevelen zult; maar onder één voorwaarde slechts."

„Hoedat, onder één voorwaarde ?" riep de jager en prevelde in zichzelven: „Wat heeft dit te beteekenen ? Moet ik dan van alle zijden tegenkanting ontmoeten? — Spreek," vervolgde hij, „ik zal u aanhooren."

„Vergeef mij, als mijn woorden u hard en ondankbaar schijnen; wn twyfelen geenszins aan uw trouw, dat verhoede God 1 maar...."

„Gij wantrouwt mij," viel de jager haar met een mismoedige stem in de rede; „maar hoe dit ook zij, ik moest ,dit verwachten, gij kent my te weinig om mij te vertrouwen."

„Helaas I" riep dona Laura, „onze toestand is ongelukkig van dien aard, dat wij vreezen moeten overal verraden te zullen worden."

„Die verfoeilijke Addick, aan wien don Miguel ons toevertrouwde," voegde dona Louise er bij, „hoe heeft die ons niet bedrogen?"

„Dat is waar 1 gij kunt niet anders spreken ; maar wat kan ik doen om u ontwijfelbaar te bewijzen dat ik uw volle vertrouwen verdien?"

De beide meisjes kregen een blos en zagen elkander verlegen aan.

„Wacht I" riep de jager goedig, „ik zal al uw twijfel uit den weg ruimen. Heden avond kom ik weder en dan breng ik u een man mede, die, zoo ik geloof, wel in staat zal zijn u te overtuigen."

„Van wien spreekt gij dan?" vroeg dona Laura levendig.

„Van don Miguel."

„Komt hij ?" riepen de beide meisjes te gelijk.

Heden avond, verzeker ik u ; zie hier een alumet, dat hy mij gaf om u ter hand te stellen."

De twee kinderen vlogen elkander om den hals, om hare verlegenheid en schuchter blozen te verbergen.

De jager, na deze bevallige groep een oogenblik met bewondering te hebben aangestaard, verwijderde zich en riep heengaande met een zachte stem:

„Tot van avond!"

In de voorzaal van het paleis hadden de Amantzin en Atoyac met sterk verlangen den uitslag van het bezoek des wonderdokters afgewacht. Toen de jager in hun midden verscheen en de opperpriester hem met belangstelling naar den toestand der kranken gevraagd had, bleef de jager een oogenblik staan, als om zich te bedenken en na de hevige inspanning der voorgewende geneeskuur zijn gedachten te verzamelen ; daarop sprak hij met diepen ernst:

„Mijn-vader de opperpriester is een wijs man, niets evenaart zijn kennis; laat zijn hart zich verheugen, want nu zullen zijn gevangenen weldra verlost zijn van den boozen geest die haar bezielt."

„Spreekt mijn vader de waarheid ?" vroeg de Amantzin met ongewone levendigheid, en met een blik, als zocht hij op het gelaat van den wonderarts de mate van vertrouwen te lezen die hij hem schuldig was.

Maar de gewaande dokter was ondoorgrondelijk.

„Hoor!" antwoordde hij, „en verneem wat dezen nacht de groote geest my openbaarde : Er is op dit oogenblik een tlacateotzin van een verwyderden stam in de stad gekomen; ik ken hem niet, en vóór dezen dag heb ik nooit van hem gehoord, maar' hij is de groote man die my' helpen zal om de zieken te redden. Hij alleen weet welke middelen haar moeten worden toegediend."

Sluiten