Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De avonturier eerbiedigde een poos deze teedere uitlatingen van vreugde* tusschen een vader en een dochter, die zoo lang waren gescheiden geweest, en niet meer durfden hopen elkander ooit weer te zien. Twee heete tranen, die hij niet kon weerhouden, liepen hem langs de gebruinde wangen, en by het zien van z.ulk een onverdeeld geluk, vergat hij voor eenige minuten, dat er van nu af aan tusschen hem en het voorwerp zijner liefde een onoverkomenlijke slagboom was opgerezen. Weldra echter hervatte hij zyn tegenwoordigheid van geest en begreep hy hoe noodzakelyk het was om zich te haasten

„Op marsch I op marsch 1" klonk zijn commando, „laten zy ons niet overrompelen."

Plotseling blonk er een bliksemschicht in de verte, men hoorde een scherp gefluit, en een geweerkogel, bijna te zwak om doodelyk te treffen, drukte zich plat tegen het voorhoofd van een der Gambucinos, dien hij levenloos van zijn paard deed tuimelen, twee passen achter don Miguel.

Weldra verhief zich met verschrikkelijk gehuil, de woeste oorlogskreet der Apachen.

„Achterwaarts I achterwaarts 1" schreeuwde Loer-Vogel, „daar zijn de Roodhuiden."

De Gambucinos zwenkten ter zijde af, gaven hun paarden de sporen, en reden met duizelingwekkende Snelheid weg.

XL.

DE LAATSTE STORM.

Loer-Vogel had zich niet bedrogen; werkelijk waren het de Roodhuiden, die onder aanvoering van Addick en don Estevan aan de eene, en van Atoyac aan de andere zijde, de Gambucinos nazetten.

Wij zullen den lezer deze plotselinge, zoo het scheen onverklaarbare vereeniging van Addick en Atoyac met weinige woorden ophelderen. In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat Loer-Vogel, den Amantzin verraste, terwijl deze aan de deur stond te luisteren. Ofschoon de opperpriester geen woord Spaansch verstond en er bijgevolg weinig of niets van begreep, had hy toch een zekere levendigheid in het gesprek opgemerkt, die hem verdacht voorkwam; intusschen durfde de Amantzin zich tegen de plechtige ceremonie der groote geneeskuur, welke den zélfden avond zou plaats grypen, niet openlijk verzetten, en gaf hij zijn vermoedens alleen in stilte aan Atoyac te kennen. Deze, ofschoon voor zich zeiven reeds weinig met de vreemdelingen ingenomen, toonde zich zeer verwonderd over den plotselingen argwaan van den opperpriester en hield dien in 't eerst voor louter inbeelding. Later echter, toen hij zag hoe sterk de grijsaard overtuigd scheen dat er achter de handeling der gewaande wonderartsen een of ander bedrog verscholen was, eindigde Atoyac met de bedenkingen van zyn ouden vriend in te stemmen, en besloot hij om den aangewezen heuvel met een welgewapende bende

18

AimarrL Spoorzoeker. 6e dr.

Sluiten