Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te bewaken en den Amantzin onmiddellijk te hulp te komen, zoo deze het slachtoffer mocht worden van heimelijk verraad.

Dit alles tusschen de twee broeders heimelijk afgesproken zijnde, was Atoyac zoodra de stoet der gevangenen Quiepa-Tani verlaten had, haar met een troep uitgelezen krijgslieden gevolgd; aan den voet van den heuvel gekomen, had Atoyac zijn ruiters in een hinderlaag op wacht gezet, terwijl hg zelf de hoogte halverwege beklauterde, om tusschen het hooge gras verscholen, alles te beluisteren en te bespieden wat er omging.

Toen Atoyac de gebeden der vijf mannen hoorde, kreeg hij bijna berouw dat hij gekomen was. Weldra echter hield het geluid der stemmen op en hoorde hij niets meer. Thans begon hij te veronderstellen dat er op de gebeden met luider stem, stille gebeden waren gevolgd, en hij bleef nog een geruimen tijd luisteren. Maar het bleef stil en hij hoorde inderdaad niets meer. Het opperhoofd besloot nu den heuvel op te klauteren ; maar hoe stond hij verbaasd, toen hij op den top komende, niemand zag dan den Amantzin en de vier krijgslieden, bewegingloos op den grond uitgestrekt. In het eerste oogenblik dacht hij dat zij dood waren, en riep hij zijn kameraden, die onder aan den. heuvel waren gebleven. Deze klauterden terstond naar boven, en liepen naar de slapers, die zij met alle kracht schudden, maar niet konden doen ontwaken. Atoyac vermoedde toen reeds gedeeltelijk de waarheid; het driemaal herhaald geschreeuw van den watersperwer, dat hij even te voren gehoord had, kwam hem in de gedachten; hü twijfelde niet of de vluchtelingen waren naar den kant van het bosch ontsnapt. Hü steeg dus weder te paard en stormde met de zijnen in deze richting, om de vluchtelingen onder een huilenden oorlogskreet, te vervolgen.

Atoyac was de eerste die haar in 't oog kreeg en die ook het geweerschot loste dat een der Gambucinos doodelijk trof.

Maar de stelling der blanken werd inderdaad zeer hachelijk, want toen zij den rand van het bosch bereikten, werden zij* plotseling tegengehouden door de bende van Addick en don Estevan, die hen verwoed aanviel. De jonge meisjes werden in het midden der Gambucinos door don Mariano en Vrij-Kogel beschermd, en bevonden zich betrekkelijk in veiligheid.

Terwijl Loer-Vogel en Ruperto zwenkten, om den aanval der krijgslieden van Atoyac af te keeren en den aftocht te dekken, wapende don Miguel zich met de knots die een der gekwetste Apachen had laten vallen, en stortte zich als een losgebroken tijger in het dichtst van den strijd. De strijders, te veel op elkander gedrongen om van hun vuurwapenen gebruik te kunnen maken, doodden elkander met mes- en lanssteken, of verpletterden elkander met de knotsen en met de kolven der geweren en buksen.

Dit gruwzame bloedbad duurde ongeveer tien minuten, onder de huilende oorlogskreten der Indianen en het niet minder woeste krijgsgeschrei der Gambucinos. Eindelgk gelukte het don Miguel met eenige der dapperste jagers den menschendam te verbreken die hem den doortocht belette, en nu stortte hü zich door de bres die hij ten koste van tien zijner moedigste, kameraden geopend had. Terwijl hij aan Loer-Vogel de taak overliet om zich tegen de laatste pogingen der Roodhuiden te verzetten, verzamelde don Miguel zgn volk rondom zich en stormde in vollen galop naar het diepste der bosschen, waar zij spoedig verdwenen.

Met het opgaan der zon bereikten de avonturiers de grot, die vroeger

Sluiten