Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overstelpte, wanneer zy daar zoo vrij en onbekommerd tusschen hem en haar vader gezeten was.

Gelukkig dat Loer-Vogel niet van een verliefde geaardheid was en zijn oog steeds geopend bleef voor de gevaren hunner positie. Hy riep dus eene vergadering bijeen, samengesteld, behalve hij, uit don Miguel, Ruperto, don Mariano en Vry-Kogel, in welke besloten werd, dat men zich onverwijld naar de naaste Mexicaansche grenzen zou begeven, ten einde de jonge dames zoo spoedig mogelijk buiten alle gevaar te brengen, en tevens, daar dit niet onwaarschijnlijk was, zich aan een vernieuwden aanval der Roodhuiden te onttrekken. Vooral moest men zich daarom des te meer haasten om, thuis te komen, daar juist de ongelukkige tijd des jaars op handen was, dien de Roodhuiden de „Mexicaansche maan" noemen, waarin zy gewoon zyn hunne jaarlyksche strooptochten over de grenzen van dit jammerlyk regeeringloos land te ondernemen. Loer-Vogel maakte zich sterk om het koloniale terrein binnen vier dagen te zullen bereiken langs wegen die, zoo hij dacht, alleen aan hem bekend waren.

Men ging dus op weg.

De avonturiers werden op hunne snelle vlucht niet verontrust, en juist zoo als Loer-Vogel voorspeld had, gingen zij in den namiddag van den vierden over het veer del Rio-Gila en trokken het district Sonora binnen. N Intusschen, naarmate men het Mexicaansche grondgebied naderde, werd het gelaat van Loer-Vogel somberder, zijn zware wenkbrauwen trokken zich onrustig samen en de blikken die hij gedurig aan alle zijden rondsloeg, teekenden diepe bezorgdheid. De reden hiervan was, dat het omliggende land, dat anders in dit getijde des jaars zulk een welig en rijk aanzien had, er thans zoo ontvolkt en eenzaam uitzag, dat men koud werd van het aan te zien. Verwoeste velden en door paardenhoeven vertrappelde oogsten, hier en daar ruïnen van verbrande hutten, en aschhoopen waar zich anders groote korenmolens verhieven, dit alles bewees dat de geesel des oorlogs met al zyn verschrikkingen er overheen gegaan was.

Aan den verren horizon echter, op twee mijlen ver voor hen uit, zag men de witte huizen van een versterkte pueblo — burcht — in de zonnestralen schitteren. Alles in den omtrek scheen rustig, maar het was een kalmte des grafs. Geen menschelyk wezen vertoonde zich; geen manade

kudde — verscheen er op de verwoeste velden, geen reeuos — troepen —

van muildieren, met hunne rinkelende nenas — bellen — lieten zich zien of hooren; overal heerschte een looderf stilte en een sombere rust, die zwaar op het landschap drukten, en thans, in den vroolijken zonneschyn, aan het gansche tooneel een des te treuriger aanzien gaven.

Eensklaps maakte het paard van Vry-Kogel, die steeds een weinig vooruit reed, een zijsprong, die hem bijna uit den zadel wierp; hij wendde zich om met een kreet van ontsteltenis. Don Miguel en Loer-Vogel snelden terstond toe.

Een afgryselyk schouwspel vertoonde zich aan hunne oogen. On£er een schutting, ter zyde van den weg, lag een hoop lijken van Spanjaarden, verward dooreengeworpen, vreeselijk verminkt en van hunne haarschedels beroofd. Don Miguel liet terstond halt maken, niet wetende of hy vooruit of terug moest trekken; geen wonder dat hy aarzelde, in een geval zoo moeüyk als het tegenwoordige. Zou hy voortrukken tot aan de presidio ?

Sluiten