Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de manschappen op de meest geschikte punten waren verdeeld, beklommen don Miguel en Loer-Vogel de azotea, om bet oog te laten rondgaan.

Niets was veranderd; het veld was nog altijd eenzaam. Deze stilte voorspelde weinig goeds. De zon ging in een gloed van roode dampen onder, het licht nam snel af en de nacht was daar met zijn duisternis en wie weet met welke verschrikkingen. !"*ƒ>• I"'!

Don Miguel, terwijl hij den Canadees alleen boven liet, ging naar de kamer waar de drie vrouwen bijeen waren. Zij zaten rustig en stil bij elkander.

Toen hij binnen trad kwam de Wilde-Roos naar hem toe. „Wat wil mijn zuster ?" vroeg de jonkman.

„De Wilde-Roos wil vertrekken," antwoordde zij met haar zachte stem.

„Hoedat I vertrekken !" riep hij verwonderd ; „dat is onmogelijk ; de nacht is donker; mijn zuster zou te veel gevaar leopen alleen; de calli's van haar stam zijn te ver in de Prairie."

De Wilde-Roos sprak op haar bevallige wijze en schudde ontkennend het hoofd.

„De Wilde-Roos verlangt te vertrekken," herhaalde zij ongeduldig, „mijn broeder moet haar een paard geven; zij moet naar den Vliegende-Arend."

„Helaas 1 arm kind, de Vliegende-Arend is op dit oogenblik veel te ver af, naar ik vrees; gij zoudt hem niet vinden."

De jonge vrouw stak schielijk het hoofd op.

„De Vliegende-Arend verlaat zijn vrienden niet," zeide zij ; „hij is een groot opperhoofd ; de Wilde-Roos is er trotsch op zyn vrouw te zijn. Dat mijn broeder haar laat vertrekken; in het hart der Wilde-Roos zingt een vogeltje, dat haar zegt waar de Sachem zich bevindt."

Don Miguel zat in geen geringe verlegenheid, hij kon niet besluiten om het verzoek der Indiaansche in te willigen; hij zag er tegen op om de jeugdige vrouw die, sedert zij bij hen was, zoovele bewijzen van trouw gegeven had, in gevaar te brengen. Op dit oogenblik voelde hy' zich op den schouder tikken; hij keerde zich om ; het was Loer-Vogel.

„Laat haar begaan," zeide deze; „zij weet beter dan wy wat haar beweegt ; de Roodhuiden doen nooit iets zonder dat zy weten waarom. Kom, lief kind, ik zal u naar de poort geleiden en u een paard laten geven."

„Welaan dan," zeide don Miguel; maar onthoud dat gij tegen myn zin ons verlaten hebt."

De Indiaansche glimlachte; zij omhelsde de twee jonge meisjes en sprak alleen dit woord:

„Houd moed l"

Hierop ging zij met Loer-Vogel heen.

„Het arme goede schepsel," zei don Miguel, „zij wil ons zeker nog den een of anderen dienst bewijzen, daar ben ik van overtuigd.

Zich thans naar de jonge dames wendende, vervolgde hij :

„Ninas, schept nieuwen moed; wij zijn sterk in getal, morgenochtend met het krieken van den dag gaan wij weder op weg, zonder vrees van door de Indianen verontrust te worden."

„Don Miguel," antwoordde dona Laura met een treurig lachje, „gij poogt ons te vergeefs gerust te stellen; wij hebben gehoord wat de mannen onder elkander gezegd hebben ; zij verwachten een aanval."

Sluiten