Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waarom spreekt gij tot ons niet ronduit, don Miguel ?" vervolgde dona Luisa. „Het is veel beter dat wij in eens onzen toestand kennen en weten wat wij te vreezen hebben."

„Lieve God! dan moest ik het zelf eerst weten," riep hij ; „ik heb alle voorzorgen genomen om de haciënda tot het uiterste té verdedigen; maar ik vlei mij steeds dat de Roodhuiden ons spoor niet ontdekken zullen."

„Gij zoekt ons al weder te misleiden, don Miguel," zeide Laura op een toon van verwyt, zoo ernstig, dat de jonkman er diep door getroffen werd.

„Voor het overige," vervolgde hij, zonder het gezegde van zijn beminde rechtstreeks te beantwoorden, „stel u gerust, Senoritas, wij allen, mijn kameraden zoo wel als ik, moeten vallen tot den laatsten man,'eer een der Apachen den voet in dit vertrek zet."

„De Apachen I herbaalden de beide meisjes, wien de herinnering van het gebeurde te Quiepa-Tani nog zoo versch in 't geheugen lag, en die beefden bij de gedachte van op nieuw in hun handen te zullen vallen. Haar onrustige stemming duurde echter niet lang; het gelaat van dona Laura helderde weder op en hernam weldra de uitdrukking van engelachtige kalmte die haar gewoon was, en met een zachte heldere stem zeide zij tegen don Miguel:

„Wij stellen vertrouwen in u; wij weten dat gij om ons te redden alles doen zult wat menschelijkerwijs mogelijk is; wij danken u voor uw trouw; ons lot is in Gods hand, op Hem is onze hoop gevestigd. Handel als man en bekommer u niet langer om ons, don Miguel; maar een ding bid ik u, waak over mijn vader."

„Ja" liet dona Luisa er op volgen, „doe moedig uw plicht, wij van onzen kant zullen den onzen doen."

Don Miguel keek haar aan, maar begreep haar niet. Zij glimlachte blozend ; maar sprak niet verder.

De jonkman scheen nog iets te willen zeggen, maar na een oogenblik aarzelens groette hij de meisjes eerbiedig en verwijderde zich.

Laura en Luisa wierpen zich in elkanders armen en omhelsden elkander met diepe ontroering.

Toen don Miguel op de patio kwam, trad Loer-Vogel naar hem toe en wees hem in de verte eenige donkere plekken op. de vlakte, die in de richting der haciënda schenen voort te kruipen.

„Zie eens," zeide hij droog.

„Dat zijn de Roodhuiden!" riep don Miguel.

„Ik heb ze reeds tien minuten in 't oog gehouden,'' hernam de jager; „maar wij hebben den tijd nog, om ons op een warme ontvangst voor te bereiden; zij zullen eerst over een uur hier komen."

Werkelijk verliep er een uur van bange verwachting.

Plotseling vertoonde zich het afschuwelijk hoofd van een Apache boven de poort en wierp een woesten blik op de patio.

„Dat weet niemand, hoe brutaal die Indianen wezen kunnen," mompelde Loer-Vogel, en meteen zijn strijdbijl nemende gaf hij den Apache een slag, dat he,t lichaam naar buiten en het hoofd, nog grijnzend, voor de voeten van don Miguel rolde.

Verscheidene pogingen op de zelfde wjjze op andere punten van den ringmuur beproefd, werden met gelijk gevolg afgeslagen. Toen dus de

Sluiten