Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Apachen begrepen hadden, dat zij de blanken niet in hun slaap konden overrompelen, maar integendeel zeer slecht ontvangen zouden worden, verhieven zy hun oorlogskreet en rezen in massa van den grond op, waar zij tot hiertoe ongemerkt waren voortgekropen, en bestormden als razenden den muur, dien zij op alle punten tegelijk poogden te beklimmen.

Eën reeks van losbrandingen, omringde thans de gansche haciënda met vlammen en kruitdamp, en een hagelbui van kogels regende op de Apachen, maar zonder de drift der aanvallers te verslappen. Een nieuwe losbranding, schier op armslengte, was even onvermogend om hen terug te drijven, ofschoon zü zware verliezen leden. Weldra vochten bestormers en bestormden man tegen man. Het werd een allerbloedigste worstelstrijd, een tooneel van moord en verbittering, waarin niemand losliet zonder te sneuvelen, ja den verwonnene in zijn val vaak den overwinnaar medesleepte, om hem nog in zyn laatsten; doodstuip af te maken. Gedurende langer dan een kwartiers was het onmogelijk elkander te onderkennen; de geweerschoten, de lanssteken, de snorrende pijlen en dreunende knotslagen knalden, kletterden en beukten met een verbijsterende snelheid. Cindelijk weken de Apachen terug.

Zij hadden den muur niet kunnen overklimmen. Maar de wapenstilstand duurde slechts kort, daar de Roodhuiden onmiddellijk den stormaanval hervatten, de strijd opnieuw begon, zoo mogelijk nog met verdubbelde woede. Ditmaal zagen de Mexicanen, ofschoon wonderen van dapperheid verrichtende, door de massa der vijanden, die hen van alle kanten besprongen, zich genoodzaakt te wijken en al vechtende in het huis terug te trekken, hun grond voet voor voet verdedigende. De weerstand zou echter niet lang meer kunnen duren.

Op eens lieten zich in den rug der Indianen nieuwe alarmkreten hooren, en Vrij-Kogel overviel hen aan het hoofd van zyn troep als een rollende sneeuwval. De verschrikte Roodhuiden, door dezen onverhoedschen aanval verbijsterd, trokken in wanorde terug en verstrooiden zich over de velden. Don Miguel reed nu aan het hoofd van een twintigtal dapperen naar buiten om zijn bondgenoot te ondersteunen en de nederlaag des vijands te voltooien. Een groot aantal Indianen was reeds nedergesabeld, en de avonturiers wilden hen nog verder nazetten, toen don Miguel plotseling een kreet van schrik en woede uitstiet.

Terwijl hy rich te ver door de vluchtende Apachen liet afleiden, was een andere troep Indianen op het verlaten terrein verschenen en in dolle vaart op de haciënda aangevallen. De Gambucinos wendden onmiddellijk hun paarden en renden in gestrekten draf terug. Het was te laat. Het was te laat 1 de haciënda was reeds ingenomen.

Thans werd de stryd een verschrikkelijk bloedbad, een slachting zonder naam. Te midden der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don Estevan rich te vermenigvuldigen, zoo dicht en snel vielen hun slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos vereenigd en hield hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde aanvallen der Indianen. Op eens echter dekte als een bloedige nevel de starende blikken van don Miguel, die thans de poort binnenreed, en een koud zweet gutste hem van het aangericht : de Apachen hadden den ingang overweldigd en stormden het huis in.

Sluiten