Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■weer thuis zijn, vóór wij vertrokken? Een onbestemde vrees maakte zich van mij meester; zonder mezelf rekenschap te geven van het gevaar dat mij dreigde, gevoelde ik toch, dat mij iets boven het hoofd hing.

Barberin zag mij aan met een uitdrukking, die weinig geschikt was om mij gerust te stellen.

Daar ik dien blik niet langer kon verdragen, ging ik in den tuin.

Die tuin was niet groot, maar voor ons toch van veel waarde, want door hem werden wij gevoed, en behalve brood, kregen wij er bijna alles uit: aardappelen, boonen, kool, wortels en knollen. Geen plekje was dan ook ongebruikt gebleven. Toch had vrouw Barberin mij een stukje grond afgestaan, waarin ik een aantal planten, kruiden en verschillende soorten van mossen geplant had, die ik aan den rand van het bosch, of in de nabijheid der heggen had gezocht, terwijl ik onze koe liet weiden en die ik dan des middags in mijn tuin overplantte. Het was volstrekt geen mooie tuin met fraai onderhouden paden en nette bloemperken, waarin de zeldzaamste bloemen prijkten; zij, die hier voorbijkwamen, zouden niet eens stilstaan om over de heg te gluren; maar zooals bij was, had ik hem lief; hij was van mij; het was mijn grond en mijn werk; ik kon er in doen, wat ik wilde of mij inviel, en wanneer ik er over sprak, wat wel twintigmaal daags gebeurde, dan sprak ik altijd van „mijn" tuin.

Den vorigen zomer had ik mijn kweekerij eerst aangelegd; dus eerst tegen de lente zouden de bloemen uitkomen; sommige misschien reeds bij het einde van den winter. Mijn nieuwsgierigheid was dus in de hoogste mate opgewekt.

De crocussen vertoonden reeds eenige gele knoppen en de madeliefjes staken even hun kopjes, nog tusschen de bladeren verscholen, boven den grond.

Hoe zou dat alles in bloei staan? Daar ging ik iederen dag naar kijken.

Maar er was nog een gedeelte van mijn tuin, dat ik eiken dag met nog grooter belangstelling, ja zelfs met een gevoel van spanning bezocht. In dat gedeelte had ik een vrucht geplant, die ik gekregen had en die in ons dorp maar weinig bekend was — aardperen.Men had mij verzekerd, dat zij veel beter knollen kregen dan de aardappelen, en de smaak aangenamer was dan die der artisjokken en knollen en nog vele andere gewassen. Deze voorstelling had mij op de gedachte gebracht om vrouw Barberin een verrassing te bezorgen. Ik vertelde haar niets van dit geschenk; ik plantte de bollen in mijn tuin; toen zij begonnen uit te botten, zei ik, dat het bloemen waren, en wachtte nu tot ik eindelijk op een mooien morgen, wanneer zij rijp waren, van de afwezigheid van vrouw Barberin gebruik zou kunnen maken om ze uit den grond te trekken en ze dan zelf te koken. Hoe? Dat wist ik niet, maar mijn verbeelding bekommerde zich niet over zulk een kleinigheid, en als vrouw Barberin weer thuis zou zijn, wilde ik ze haar bij het avondeten voorzetten. Wat zou ik haar dan verrassen! En wat zou ze in haar schik wezen!

Want dan zouden wij een nieuw gerecht hebben, dat onze aardappelen in alle opzichten kon vervangen en vrouw Barberin zou dan niet meer gebukt behoeven te gaan onder den verkoop van onze Roussette. En de ontdekker van dit nieuwe gerecht ^ou ik zijn, ik Remi; ik zou dus ook nuttig wezen.

Met zulke plannen in mijn hoofd, was ik, dat valt te begrijpen, bijzonder nieuwsgierig naar mijn bollen; iederen dag ging ik naar het plekje, waar ik ze geplant had, en in mijn oog was het, of zij nooit zouden uitkomen.

Ik lag geknield op den grond, met mijn handen onder het hoofd en mijn neus vlak op mijn knollen, toen ik plotseling op ongeduldigen toon mij bij mijn naam hoorde roepen. Het was Barberin's stem. Wat wilde hij van mij?

Ik haastte mij om naar huis terug te keeren.

Hoe groot was mijn verbazing, toen ik bij den schoorsteenmantel Vitalis en zijn honden zag staan. Ik begreep terstond, wat Barberin van mij wilde.

Vitalis kwam mij halen en zeker had Barberin zijn vrouw weggezonden om geheel heer en meester te kunnen zijn.

Ik besefte wel, dat Barberin volstrekt geen medelijden met mij hebben zou, noch mij eenige hulp verleenen wilde; ik snelde dus naar Vitalis toe.

— Ach mijnheer, riep ik, neem mij, als je blieft, niet mee. En ik barstte In snikken los.

— Kom mijn jongen, zei hij vriendelijk, gij zult niet ongelukkig bij mij wezen; ik sla nooit kinderen en bovendien zullen mijn leerlingen u gezelschap houden en zij zijn lang niet onaardig. Wien zoudt gij betreuren? ®; ;

•— Vrouw Barberin! vrouw Barberin!

Sluiten