Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere weer, die om zichzelf heendraaiden, zonder dat men bemerken kon waardoor zij deze wendingen maakten; eindelijk waren er ook zonder masten' zelfs zonder zeilen, maar die hadden een schoorsteen, waaruit een dwarrelende' rookkolom ten hemel steeg; deze bewogen zich met groote snelheid in alle richtingen en heten in het gele water voren van wit schuim achter.

— Het is thans vloed, zei Vitalis, mij het antwoord gevende, zonder dat ik hem de vraag gedaan had; er zijn daaronder schepen, die uit volle zee komen en een lange reis achter den rug hebben; deze zijn verkleurd en bijna verroest: er zijn andere, die eerst de haven verlaten, in het midden der rivier liggen om zich zelf draaien en met behulp van hun ankers steeds den steven bieden'aan den opkomenden vloed. Die, welke zooveel rook geven, zijn sleepbooten.

Welke vreemde woorden waren dit voor mijl Welke nieuwe gedachten rezen voor ■ mijn geest. Toen wij de brug bereikt hadden, die Bastide met Bordeaux verbindt, had Vitalis den tijd nog niet gehad om mij zelfs maar op een honderdste gedeelte van mijn vragen, die ik hem doen wilde, een antwoord te geven.

Tot nog toe was ons verblijf in dorpen nooit van langen duur geweest, want door den aard van onze voorstellingen waren wij wel genoodzaakt dagelijks een andere plaats te zoeken, om telkens een nieuw publiek te hebben. Wanneer wij de vier of vijf stukken, waaruit ons repertoire bestond, gespeeld hadden, dan moesten wij weer van voren af beginnen. Maar Bordeaux was een groote stad, waar wij dikwijls van publiek konden verwisselen en gerust drie of vier voorstellingen konden geven, zonder dat de toeschouwers ons zouden uitfluiten.

Van Bordeaux zouden wij naar Pau gaan. Ons reisplan voerde ons over het uitgestrekte moeras, dat zich van de>haven van Bordeaux tot aan de Pyreneeën uitstrekt en de Landes heet. Hoewel ik niet de muis uit de fabel ben, die bij alles, wat zij ziet, verbaasd is, of haar verwondering en schrik daarover te kennen geeft, kreeg ik toch den eersten dag een schrik, die mijn meester dikwijls deed lachen en mij tot aan Pau met zijn spot vervolgen deed.

Het was zeven of acht dagen geleden, sedert wij Bordeaux verlaten hadden en nadat wij eerst de oevers van de Garonne gevolgd waren, verlieten wij deze en sloegen den weg naar Mont-de-Marsan in, die door de vlakte voerde. Geen wingerden of weilanden waren het thans, die ons oog bekoorden, maar bosschen van pijnboomen én heidevelden. De huizen werden zelfs al spoedig zeldzamer en armer. Daarop bereikten wij een onmetelijke vlakte, die, zoover onze blik reikte, zich zacht-golvend voor ons uitstrekte. Geen bouwland, geen bosch, maar een grijsachtige bodem in de verte, en langs den weg, bedekt met een zacht mos, dorre struiken en door den wind geknakt kreupelhout.

— Hier zijn we in de Landes, zei Vitalis; wij moeten thans nog twintig of vijfentwintig mijlen door deze woestenij afleggen. Gij moogt uw beenen dus wel wat moed inspreken.

Niet alleen mijn beenen, maar ook mijn hoofd en hart hadden daaraan behoefte; want op dezen weg, die nooit scheen te eindigen, werd men door een onbestemd gevoel van weemoed, ja, van wanhoop aangegrepen.

Sedert dien tijd heb ik verscheidene zeereizen gemaakt, en als ik mij midden op den oceaan bevond, zonder een zeil in het gezicht, maakte zich altijd weer diezelfde onbeschrijfelijk zwaarmoedige stemming van mij meester, die ik in deze verlaten streek gevoeld had. Wij hepen steeds voort, zonder dat wij een oogenblik bemerkten, dat wij vorderden. Nu en dan werd onze tocht afgewisseld door een klein groepje boomen, maar deze gaven aan het landschap geen vroolijker karakter. Het waren gewoonlijk pijnboomen, waarvan de takken aan den top waren afgesneden. Over den geheelen bast waren diepe insnijdingen gemaakt en uit die roode wonden droop het witte gekristalliseerde sap. Als de* wind bij vlagen door de takken suisde, veroorzaakte hij een klagend geluid, alsof de arme gepijnigde boomen zelf over hun wonden treurden.1

Vitalis had mij gezegd, dat wij dien avond een dorp zouden bereiken, waar wij een nachtverblijf konden vinden.

Maar toen de avond naderde, bespeurden wij niets, dat ons de nabijheid van een dorp deed vermoeden: geen bouwland, noch grazend vee, noch lichten Jfook, die uit een huis opsteeg.

Wij hadden een geheelen dag geloopen; ik was doodmoe en een gevoel van uitputting had zich van mij meester gemaakt. Zou dat vurig gewenschte dom aan nooit op dezen Oneindig langen weg verschijnen? Hoe ik ook rondstaarde, ik zag niets anders om mij heen dan de vlakte waar-

Sluiten