Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van verre zag het er nogal erg arm uit en wij hadden dus niet veel kans om er goede zaken te doen; maar dit ontnam mij den moed niet. Of ik veel of weinig ontving, was voor mij niet de hoofdzaak; maar hoe kleiner het dorp was, zooveel te minder gevaar liepen wij om er politieagenten te ontmoeten.

Ik kleedde dus mijn personeel aan en zoo ordelijk mogelijk trokken wij het dorp binnen. Jammer maar, dat wij Vitalis niet hadden om de fluit te bespelen en door zijn voorkomen, evenals een tamboer-majoor, de aandacht te trekken. Ik had het geluk niet om zoo lang te zijn als hij en ik miste ook zijn fraaie hoofd; mijn gestalte was eer klein dan middelmatig; bovendien was ik vrij mager en op mijn gelaat stond meer angst dan zelfvertrouwen te lezen.

Onder het voortgaan wierp ik tersluiks rechts en links een blik, om te zien, welken indruk wij maakten. Maar die was niet bijzonder groot; men keek eens even op en terstond weer vóór zich en niemand volgde ons.

In het midden van het dorp was een plein met een fontein, die door platanen omringd was. Hier zette ik mijn harp neer en begon een wals te spelen. De muziek was vroolijk; mijn vingers waren vlug, al was mijn hart ook nog zoo treurig gestemd, en het was of een loodzware last op mijn schouders drukte.

Ik deed Zerbino en Dolce dansen; zij gehoorzaamden dadelijk en begonnen op de maat rond te springen.

Maar niemand gaf zich de moeite om naar ons te komen kijken en toch zag ik voor verscheidene huizen vrouwen, die breiden en met elkander praatten.

Ik speelde maar altijd voort en Zerbino en Dolce bleven dansen. Misschien zou er eindelijk wel iemand naar ons komen kijken, en als er een was, zou wel een tweede volgen en dan tien en daarna twintig. Maar of ik al speelde en Zerbino en Dolce al dansten, de menschen bleven, waar zij waren en keken zelfs niet naar de plek, waar wij stonden. Het was om wanhopig te worden.

Toch gaf ik den moed niet op; ik speelde nog lustiger voort, zoodat de snaren bijna sprongen.

Eindelijk kwam er een kind uit een der huizen. Het was zoo klein, dat men haast zeggen zou, dat het voor 't eerst liep. Langzaam naderde het ons. Zeker zou nu zijn moeder ook wel komen en na de moeder een buurvrouw; wij zouden publiek krijgen en dan ook zeker wel wat ontvangen.

Ik speelde nu wat minder hard, om het kind niet bang te maken en het spoedig bij ons te doen komen. Met de armpjes uitgestrekt en waggelend op zijn beentjes naderde het langzaam. Het kwam al dichter en dichter bij; nog enkele schreden en het was bij ons. Zijn moeder keek op, verwonderd zeker en ongerust misschien, dat het niet bij haar was.

Daar zag zij haar kind. Maar in plaats van het na te loopen, zooals ik ge-» hoopt had, riep zij het terug en he't gehoorzame kind keerde dadelijk om.

Misschien hielden die menschen niet van dansen. Dat was ook mogelijk.

Ik beval Zerbino en Dolce te gaan liggen en begon mijn cansonetta te zingen. Nooit deed ik zóó mijn best erop. Ik hief het tweede couplet aan, toen ik een man met een jas en een vuilen hoed naar mij toe zag komen.

Eindelijk! Ik zong nog lustiger.

— Zeg eens! riep hij, wat doe-jij hier, kwajongen!

Ik hield eensklaps op, onthutst door die vraag en bleef hem met open mond aanstaren, terwijl hij nog dichterbij kwam,

— Komaan, krijg ik haast antwoord? — Ik zing, mijnheer.

— Heb-je permissie om in onze gemeente te zingen? — Neen, mijnheer.

— Maak dan dat je wegkomt, als je niet wilt, dat ik proces-verbaal tegen je opmaak. — Maar mijnheer

— Noem mij geen mijnheer, maar veldwachter, en ruk uit, luie bedelaar. Een veldwachter! Ik wist door hetgeen mijn meester overkomen was, wat

men te Wachten heeft, als men zich tegen politieagenten en veldwachters verzet. Dus liet ik^net mij geen tweemaal zeggen! Ik ging heen, zooals mij gelast was langs denzelfden weg, dien ik was gekomen.

Bedelaar! — Neen, dat woord was niet verdiend. Ik had niet gebedeld; ik had gezongen; ik had gedanst; dat was mijn manier van werken, en welk kwaad had ilr'daarmede gedaan? Binnen vijf minuten was ik buiten het zoo weinig gastvrije, maar zoo goed bewaakte dorp.

Mijn honden volgden mij met hangenden kop; zeker begrepen zij, hoe slecht wij van de reis waren gekomen. Capi liep mij nu en dan vooruit en zag mij met zijn verstandige oogen nieuwsgierig aan. Ieder ander in zijn plaats zou

Sluiten