Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als vlinders, begonnen te vallen, zij stoven op en neer, en dwarrelden dooreen zonder ooit den grond te raken.

Wij hadden nog niet lang voortgeloopen, of het scheen mij reeds onmogelijk toe om Troyes, vóór dat het sneeuwde, te bereiken; daarover inaakte ik mij echter niet bezorgd, en ik dacht zelfs, dat wanneer het begon te sneeuwen, die noordenwind zou ophouden en de koude zou afnemen.

Maar ik kende geen sneeuwstorm; spoedig zou ik ondervinden, wat die was, en wel op een wijze om het nooit te vergeten.

De wolken, die uit het noordwesten al nader en nader gekomen waren en den hemel als met een wit schijnsel verlichtten, waren van elkander gespleten en groote sneeuwvlokken begonnen te vallen.

Het waren nu geen vlokken, die voor ons uit warrelden, het was een regen van sneeuw, die op ons neerviel.

Het stond zeker geschreven, dat wij Troyes niet mochten hereiken, sprak Vitalis; wij moeten dus een schuilplaats zoeken in de eerste woning de beste.

Dat waren woorden, die mijn hart goed deden; maar waar zouden wij gastvrije menschen vinden? Voordat de sneeuw ons nog in zijn sneeuwwit kleed had gehuld, had ik een onderzoekenden blik over het geheele landschap geworpen, maar geen huis in den omtrek ontdekt, dat ons de nabijheid van een dorp kon aankondigen. Wij stonden integendeel op het punt een bosch binnen te treden, welks sombere diepten van alle kanten met het oneindige samensmolten.

Wij moesten dus niet al te vast op die woning rekenen; maar misschien zou de sneeuw spoedig ophouden. Zij bleef echter vallen en veel erger dan in het begin.

In weinige oogenblikken had zij den weg bedekt of liever alles wat zich op den weg bevond; de steenhoopen, het gras aan de zijden van den weg, de struiken en heggen langs de slooten; want door den wind voortgedreven, die niet was gaan liggen, stoof zij over den grond verder, om zich vast te zetten op alles, wat haar tegenstand bood. Het lastigste voor ons was, dat ook wij behoorden tot de hinder