Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«L*™!, . rang hem mll se.estdrift toejuichen. Ik had haar vroeger al opgemerkt, want ze was geen boerin, zooals de andere vrouwen onder hit publiek. Zq was een wezenlijke dame, schoon en, naar ik opmaakte uit haar bont en mantel, die rijkste van het dorp. Naast haar zat een knaapje, dat ook bijzonder toejuichte, als Capi zijn kunstjes deed. Het was zeker haar kind want hij geleek sprekend qp haar.

Na het eerste liedfadjCapi weer zijn inzameling gehouden en met verbaS!? a«a\ % r"ke dame. m*s °P h^ bakje legde. Toen mijn meester zijn bed geëindigd had, wenkte zq mq met de hand. Ik ging naar haar toe < — Ik wenschte uw meester te spreken, zei ze Het verwonderde mij wel eenigszins, dat die aanzienlijke dame mijn meester wilde spreken. Zq had, dacht mq, beter gedaan met haar gift op het bakje te leggen; maar ik deelde aan Vitalis hakr wensch mede, terwijl Capi onderwijl bq ons kwam De tweede inzameling had nog minder opgebracht dan de eerste.

— Wat wil de dame van mq? vroeg Vitalis.

— Zij wil u spreken. — Ik heb haar niets te zeggen.

— Zij heeft niets gegeven aan Capi; misschien wü ze het hem nu geven.

— Dan moet Capi naar haar toe gaan en niet ik. Nochtans ging hij en nam Capi met zich. Ik volgde hem

In dien tusschentijd was een bediende met een lantaarn en een reisdeken gekomen en had achter de dame en de knaap postgevat. Vitalis was haar genaderd en had gegroet, maar zeer koel.

— Ik vraag u verschooning, dat ik u lastig val, maar ik wilde u mijn compliment maken. — Vitahs boog zonder te antwoorden.

— Ik beoefen de muziek, ging zij voort, en dit zal wel voldoende zijn om u te doen beseffen, dat ik gevoelig ben voor zulk een groot talent als het uwe

ben groot talent; en dat zou Vitalis bezitten, een straatzanger, een man met gedresseerde honden! Ik was buiten mijzelven van verbazing.

— Een oud alledaagsch man als ik heeft geen talent, zei Vitalis.

Geloof niet, dat onbescheiden nieuwsgierigheid mij beweegt, sprak de dame

— ik zou anders zeer bereid zijn die nieuwsgierigheid te bevredigen Gii waart verwonderd een man met gedresseerde honden te hooren zingen of althans te doen, of hij zong?

— Verrukt zelfs.

— 't Is evenwel doodeenvoudig; ik ben niet altijd geweest, wat ik nu ben Voorheen, in mijn jeugd - dat is dus lang geleden - ben ik.... ja ben ik de bediende van een groot zanger geweest, en uit zucht tot nabootsing heb ik, als een papagaai, de stukken nagezongen, die mijn meester instudeerde. Dat is de heele zaak.

De dame antwoordde niet, maar zij vestigde langen tijd haar blik op Vitahs die m verlegen houding voor haar bleef staan.

— Tot weerziens, mijnheer, sprak zij, den klemtoon op dit laatste woord leggende, dat zq op een bijzonderen toon uitsprak.'— Tot weerziens, en ontvang nogmaals mqn dank voor het genot, dat gij mij geschonken hebt

Daarop boog zij zich tot Capi en legde een goudstuk in zijn bakje.

Ik dacht, dat Vitahs deze dame naar haar plaats zou terugbrengen, maar hij deed het niet, en toen zij zich verwijderd had, hoorde ik hem eenige Italiaansche vloeken mompelen.

— Maar zij heeft aan Capi een goudstuk gegeven, zei ik

Ik dacht, dat ik 'n klap zou krijgen; hij trok echter zijn opgeheven hand terug.

— Een goudstuk, zei hij, alsof bij uit den droom ontwaakte, o ja, het is waararme Joh-Coeur, ik vergat hem; kom, laten we naar hem toegaan.

Onze zaken waren spoedig geborgen en wij keerden naar de herberg terug.

Ik ging het eerst de trap op en trad de kamer snel binnen; het vuur was niet uitgedoofd, maar toch zag men geen enkele vlam meer. Ik stak haastig een kaars aan en zocht naar Joli-Coeur, daar ik hem niet hoorde. " Hij lag op zijn mat uitgestrekt in zijn generaalsuniform en scheen te slapen

Ik bakte mij over hem heen en vatte hem bij een poot, om hem wakker te maken. Zijn poot was koud.

Op «t oogenblik trad Vitahs binnen. Ik wendde mij tot hem.

— Joh-Coeur is koud. Vitahs knielde naast mij neder.

— Helaas, sprak hij, hij is dood! Dat moest gebeuren. Ziet gij Rémi, het was

Sluiten