Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en alles waggelt mij voor de oogen, en 's nachts zelfs in mijn slaap, lig ik te steunen en te kermen. Nu geloof ik zeker, dat ik over een dag of vier wel naar het gasthuis zal gezonden worden; want ge begrijpt, een jongen die 's nachts lastig is, hindert ook de anderen en Garofoli wordt niet gaarne gehinderd. Hoe gelukkig, dat hij mij een slag met zijn stok gegeven heeftl Zeg nu eens eerlijk, of ik niet erg bleek zie? Terwijl hij dit zei, ging hij vlak voor mij staan, en keek mij strak aan. Ik had nu geen reden om langer te zwijgen; toch wilde ik hem niet de volle waarheid zeggen, en hem bekennen welk een akeligen indruk zijn groote glinsterende oogen, zijn magere ingevallen wangen en zijn bleeke lippen op mij maakten

— Ik geloof wel, dat gij ziek genoeg zijt om naar het hospitaal te gaan.

— Eindelijkl En met zijn hinkend been trachtte hij een buiging te maken Daarop ging hij weer naar de tafel en begon deze af te vegen.

— Nu heb ik genoeg gepraat, zei hij, Garofoli komt zoo dadelijk thuis, en dan viadt hij niets gereed; nu gij meent, dat ik genoeg slaag heb gehad, om naar het hospitaal te gaan, nu is het ook niet langer noodig om er meer bij te krijgen: dat zou slechts verloren moeite zijn en bovendien schijnen die, welke ik thans krijg, mij veel harder toe dan de klappen, die hij mij eenige maanden geleden gaf. Terwijl hij sprak, liep hij hinkende om de tafel en legde de lepels en vorken op hun plaats. Twintig borden telde ik, dus twintig kinderen had1 Garofoli onder zijn leiding; daar ik slechts twaalf bedden zag staan, sliepen zij dus zeker twee aan twee. En welke bedden waren het! Geen lakens, maar versleten wollen dekens lagen erop, die zeker uit een stal afkomstig waren, toen zij niet warm genoeg meer waren voor paardendekens.

— Is het overal zooals hier? vroeg ik angstig. — Waar overal?

— Overal, waar men knapen huurt

— Dat weet ik niet; ik ben nooit ergens anders geweest, maar tracht gij ergens anders te komen.

— Waar? — Dat weet ik niet, dat doet er ook niet toe; ergens waar gij beter zijt dan hier.

Het doet er niet toe waar, dat was zeer onbestemd en hoe zou ik het aanleggen om Vitalis op zijn besluit te doen terugkomen? Terwijl ik hierover stond na te denken, ging de deur open en trad een knaap binnen; hij had een viool onder zijn arm en in zijn andere hand hield hij een stuk hout, dat van afbraak afkomstig was. Dat stuk hout, dat veel geleek op de stukken, welke onder den schoorsteen lagen, deed mij plotsehng begrijpen, vanwaar Garofoli zijn voorraad bout opdeed en hoeveel deze hem kostte.

— Geef mij uw stuk hout! zei Mattia, terwijl hij naar den nieuwaangekomene toetrad.

Maar inplaats van het stuk hout te geven, hield hij het achter zijn rug.

— Neen, zeker niet, zei hij. — Geef het mij, dan wordt de soep beter.

— Als gij meent, dat ik het voor de soep medegebracht heb, dan vergis je je, want ik heb niet meer dan vijftien stuivers kunnen ophalen en ik reken op dit hout, om mij de vijf stuivers, die mij ontbreken, niet te duur door Garefcli te laten betalen.

— Dat zal het stuk hout niet beletten; je moet ze toch betalen, ieder zijn beurt Mattia zei dit op bitsen oon, alsof hij blij was, dat zijn makker ook eens gestraft zou worden. Ik was verbaasd over den harden trek, die er plotseling op zijn zacht gelaat kwam. Eerst later heb ik begrepen, dat wanneer men aanhoudend met slechte menschen omgaat, men zelf ook slecht wordt.

Het uur, waarop de leerlingen van Garofoli gewend waren thuis te komen scheen aangebroken te zijn; na het eene kind met het stuk hout, kwam het tweede en na dit kwamen nog wel tien anderen. Elke jongen hing zoodra hij binnenkwam, zijn instrument aan een spijker boven zijn bed; de een zijn viool, de ander een harp, een derde een fluit of pi va ; zij, die geen muzikanten waren, maar slechts met dieren rondliepen, gingen hun marmotten of Guineesche biggetjes voedsel geven.

Een zware tred klonk op de trap; ik voelde, dat het Garofoli was; ik zag daarop een klein beweeglijk mannetje met een waggelenden gang binnentreden; hij droeg geen Italiaansche kleederdracht, maar had 'n grijze overjas aan.

Hij wierp het eerst een blik op mij; een blik, die mijn hart deed verstijven.

— Wat doet die jongen hier?

Sluiten