Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En ik wees hem dien op de kaart. In het eerst wilde hij het niet gelooven, wat ik hem vertelde, terwijl ik met mijn vinger den weg op de kaart volgde.

Ik legde hem toen zoo i^osd mogelijk hoewe! niet zeer duidelijk, uit, op welke wijze de afstanden op de kaart worden aangewezen; hij luisterde wel naar mij, maar scheen' niet zeer veel vertrouwen in mijn wetenschap te stellen.

Toen ik mijn zak geopend had, kwam ik op de gedachte om hem eens nader te onderzoeken en ik was ook blij, dat ik al mijn schatten aan Mattia kon laten zien. Ik legde ze alle op het gras. Ik bezat drie linnen hemden, drie paar kousen, vijf zakdoeken; alles was zeer goed in orde, behalve een paar halfversleten schoenen. Mattia stond als verstomd.

— En wat hebt gij? vroeg.

— Ik heb mijn viool en die draag ik altijd bij mij.

— Welnu, zei ik, wij zullen deelen, zooals dat onder makkers behoort; gij krijgt twee hemden, twee paar kousen en drie zakdoeken; daar wij alles eer-^ hjk moeten deelen, zullen wij beurtelings elk een uur lang de reistasch dragen.

Mattia weigerde eerst dit aanbod aan te nemen, maar ik was reeds gewend om bevelen te geven, wat ik zeer prettig vond — dat moet ik bekennen — en ik verbood hem dus zich hiertegen langer te verzetten.

Op mijn hemden had ik het werktaschje van Martha uitgestald en het doosje van Lize daarnaast gelegd; hij wilde dit openen, maar dat stond ik hem met toe; ik legde het daarom weer in de tasch, zonder het zelf te openen.

— Zoo ge mij pleizier wilt doen, zei ik, dan zult ge nooit aan dit doosje komen; dat is een geschenk. — Goed, hernam hij, ik beloof het u.

Sedert ik weer mijn schapevacht en miin harp had omgehangen, had ik toch iets, dat mij hinderde — het was mijn broek. Ik meende dat een kunstenaar geen lange broek moest dragen. Als men in het publiek optrad, moest men korte broeken dragen met kousen, waarover gekleurde schoenlinten kruiselings gebonden waren. Een lange broek was goed voor een tuinman, maar niet voor mij, die nu kunstenaar was!....

Als men zich eenmaal iets in het hoofd gesteld heeft en meester over zijn eigen daden is, dan wacht men niet lang om.zijn wil ten uitvoer te brengen. Ik opende Martha's werktaschje en haalde de schaar eruit te voorschijn.

— Terwijl ik mijn broek in orde maak, zei ik tot Mattia, moet gij mij in dien tijd eens laten hooren, hoe gij op de viool speelt.

— O, dat is goed. Hij nam daarop de viool en begon te spelen.

In dien tusschentijd zette ik dapper de punt der schaar in de stof van mijn broer, even boven de knie en begon er de beenen af te knippen.

Het was een goede broek van grijs laken, evenals mijn jas en vest, en toen vader Acquin hem mij gegeven had, was ik er erg mee in mijn schik geweest; maar het kwam niet bij mij op, dat ik hem geheel vernielde door er een stuk af te knippen; integendeel. In het eerst had ik onder het knippen naar Mattia geluisterd, maar al spoedig had ik de schaar opzij gelegd en was ik geheel gehoor; Mattia speelde bijna even mooi als Vitahs.

— En wie heeft u viool leeren spelen? vroeg ik, in de handen klappend.

— Niemand, of liever iedereen, en vooral mezelf, door mij veel te oefenen.

— En wie heeft u muziek geleerd? -;-'■!

— Dat weet ik niet; ik speel wat ik heb hooren spelen.

— Kent gij de noten? — Neen.

— Ik zal ze u leeren. — Gij kent dus alles?

— Dat moet wel, daar ik directeur van een tooneelgezelschap ben.

Men is geen kunstenaar zonder eigenwaan; ik wilde aan Mattia toonen, dat ik ook musicus was. Ik nam mijn harp, en zonder eenige inleiding begon ik mijn beroemd hed:

„Fenesta vasciale patrona crudete."

En zooals het onder artisten behoort, betaalde Mattia mijn spel met dezelfde loftuitingen als ik het zijne; hij had veel talent, maar ook ik had talent eD wij waren elkander waardig.

Maar toch konden wij daar niet blijven zitten en elkaar tal van complimenten maken; wij moesten, na voor ons zeiven en ons eigen genot muziek te hebben gemaakt, muziek rukken voer een avondmaal en een slaapplaats.

Ik sloot mijn reiszak weer, dien Mattia thans over zijn schouders hing.

En nu voorwaarts over den bestoven weg; nu moesten wij in het eerste dorp.

Sluiten