Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar wij aankwamen, blijven en daar een voorstelling geven; (,eerste optreden van het gezelschap Rémi."

— Leer mij uw lied, zei Mattia, wij zullen het samen zingen en ik denk, dat ik het wel spoedig met de viool zal kunnen begeleiden; dat moet zeer mooi zijn.

Dat zou zeer zeker mooi zijn en het „geëerde publiek" zou wel een hart van steen moeten hebben om ons niet ruimschoots daarvoor te beloonen.

De studie werd ons echter bespaard. Toen wij een dorp bereikten en wij bezig waren een geschikte plaats voor onze voorstelling uit te zoeken, kwamen wij voorbij een boerderij, waar tal van menschen, gedost in hun zondagsche kleederen met bloemen en linten versierd bij elkander waren; men behoefde niet heel slim te zijn om te raden, dat dit een bruiloft was.

Plotseling viel het mij in, dat deze menschen het misschien wel préttig zouden vinden, als wij muziek maakten om hen te laten, dansen; ik liep de plaats dus op, gevolgd door Mattia en Capi, en met mijn hoed in de hand en een diepe buiging — de deftige buiging van Vitalis — deed ik aan den eersten persoon dien ik tegenkwam, dit voorstel. Het was een groote jonge man, wiens rood gelaat door een paar stijve hooge boorden, die tot aan de ooren reikten, was ingesloten; hij zag er goedhartig en bedaard uit.

Hij gaf mij geen antwoord; maar zich geheel omkeerende tot eenige bruiloftsgasten — want zijn fonkelnieuwe jas scheen hem in zijn bewegingen te hinderen, — stak hij twee vingers in den mond, en liet daarop een schel gefluit hooren, waarvan zelfs Capi schrikte.

— Heilo, ho! vrienden! riep hij; w'at dunkt u van een stukje muziek? Hier komen juist eenige muzikanten.

— O ja, ja! muziek, muziek! riepen allen als uit één mond.

— Ruimte voor een quadrille.

En binnen weinige minuten hadden de dansers een kring gevormd en waren alle kippen en vogels, die rondliepen', op de vlucht geslagen.

— Hebt gij wel eens een quadrille gespeeld? vroeg ik Mattia fluisterend in het Italiaansch, want ik gevoelde mij in het geheel niet gerust.

— Ja. En hij begon er een te spelen, toevallig kende ik de wijs. Wij waren dus gered.

Er werd een karretje uit den stal gehaald en de boomen op den grond gelegd, zoodat wij er konden instijgen. Hoewel we nooit samen gespeeld hadden, bleef onze quadrille toch goed in de maat. Het is waar, ons publiek was niet zeer fijn aangelegd, noch aan veel gewend.

— Kan een van u op den waldhoren blazen? vroeg de groote man.

— Ja, ik, antwoordde Mattia, maar ik bezit er geen.

— Ik zal er een gaan halen, want ik vind een viool wel heel mooi, maar ijselijk pieperig.

— Speelt gij dan ook op den waldhoren? vroeg ik in het Italiaansch aan Mattia. — Ook op de schuiftrompet en de fluit.

Mattia was ongetwijfeld een groote aanwinst voor mij. De waldhoren was spoedig gehaald en weer begonnen wij quadrilles, polka's en walsen te spelen.

Wij speelden, zonder een oogenblik op te houden, tot aan den nacht toe door; dat was voor mij niet heel erg, maar wel voor Mattia, want hij had de zwaarste partij, daar hij bovendien vermoeid was van de reis en de ontberingen.

Van tijd tot tijd zag ik hem bleek worden, maar hij speelde toch door, en blies zoo hard hij kon door den horen.

Gelukkig was ik niet de eenige, die zijn bleekheid opmerkte; de bruid zag het eveneens. Nu is het genoeg, sprak zij, de kleine jongen kan het niet langer volhouden; nu moet ieder zijn beurs openen voor de muzikanten.

— Als gij het goedvindt, zei ik, terwijl ik uit den wagen sprong, dan zal onze kassier met hel bakje rondgaan.

Ik wierp Capi mijn hoed toe, dien hij in zijn bek opving.

Allen bewonderden om strijd de bevallige buiging, die hij maakte, als men hem iets gegeven had, maar wat voor ons nog wel het meeste waard was, hij haalde veel op; daar ik hem met de oogen volgde, kon ik telkens een stuk zilver zien glinsteren; bij de bruid kwam hij het laatst en deze legde er een vijffrancstuk in. Wat een schat! En daarmede was het nog niet gedaan. Men noodigde ons in de keuken en zorgde in een schuur voor een slaapplaats. Als wij den anderen morgen deze gastvrije woning verlieten, zouden wij minstens dertig francs bezitten.

Sluiten