Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoorsteenen verdeelde. Sedert een uur hoorden wij een dreunend zuchten, een zwaar geruisch als dat eener onstuimige zee met zware slagen vermengdL Dit dreunen werd veroorzaakt door de wentelende assen, de slagen door de hamers en zuigers. Ik wist, dat de oom van Alexis in de mijnen van Varses werkte en wel in die van jTruyère, maar meer ook niet. Of hij in Varses zelf woonde of in den omtrek, was mij onbekend.

Toen ik in de stad kwam, vroeg ik, waar ik de mijn van Truyère kon vinden en men wees mij een weg in de richting van den linkeroever der Divonne, een kleine vallei door een beek doorsneden, welke haar naam aan de mijn gegeven heeft. Zoo het uiterlijk der stad weinig bekoorlijk is, de vallei zelve ziet er akelig en somber uit; een kring van naakte rotsen, waarop boom noch plant ; groeit, is bedekt met een laag grijsachtig puin, waardoor hier en daar de roo| de bodem zichtbaar is. Aan den ingang der vallei zijn de gebouwen, die voor ' de exploitatie der mijn dienen, bergplaatsen voor karren, stallen, magazijnen, i kantoren en de schoorsteenen der stoommachines. Daaromheen lagen hooge | stapels steenkolen en steenen.

Toen wij de gebouwen genaderd waren, trad een jonge vrouw met een ver-

twilderd' voorkomen en loshangende haren ons tegemoet; zij sleepte een klein kind met zich voort; zij hield ons staande en vroeg mij: — Weet'gij een koelen weg? Ik zag haar verwonderd aan.

r— ua, ecu weg, waarup ouomen staan, waar net lommerrijK is en waarlangs een beekje kabbelt en waar de vogels tjilpen. En zij begon zachtkens te fluiten.

— Zijt gij niet langs dien weg gekomen? vervolgde zij, toen ik haar geen antI woord gaf; maar zonder, naar het scheen, mijn verbazing op te merken; dat I spijt mij. Hij is dus zeker nog ver. Is hij rechts of links? Wees zoo vriendelijk | het mij te zeggen, mijn jongen, want ik zoek hem en kan hem niet vinden.

Zij sprak zeer snel, terwijl zij onophoudelijk met haar eene hand wuifde en met de andere over het hoofd van het kind streek.

— Ik vraag u naar dien weg, want ik weet zeker, dat ik Marius daar vinden \ zal. Hebt gij Marius gekend? Niet? Welnu, hij is de vader van mijn kind. Toen

bet mijngas zich ontwikkelde, vluchtte hij naar dien koelen weg; hij wandelt I nu slechts op de koele wegen, daar die goed zijn voor zijn brandwonden. Hij I weet ze te vinden, maar ik niet; daarom heb ik hem al in geen half jaar ge; zien. Een half jaar is lang, wanneer men elkaar lief heeft. Een half jaar, zes f maanden! — Zij keerde zich naar de gebouwen der mijn en wees toen met een

onstuimige beweging naar de schoorsteenen van de machine, waaruit dikke

rookkolommen omhoog stegen.

— Werken der duisternis zijn duivels werken! riep zij uit. Hel, geef mij mijn vader en mijn broeder en Marius terug; vervloekt zijt gij!

Daarop keerde zij zich weer tot mij.

— Gij zijt hier niet vandaan, nietwaar? Uw schapevacht en uw hoed zeggen mij, dat gij van verre komt; ga naar het kerkhof, tel een, twee, drie, een, twee, drie, allen zijn in de mijn omgekomen.

Daarop greep zij haar, kind en drukte het in haar armen.

Wi. _ Gij krijgt mijn kleinen Pierre niet, nooit! het water is zoet, het water

|l is frisch. Waar is de weg? Daar gij het niet weet, zijt ge dus even dom als de

ï auuerai, uie mij uiuacnen. waarom nouat grj mij aan staande7 Marius wacht mij. Zij keerde mij den rug toe en snelde voort, terwijl zij weer begon te fluiten. Ik begreep, dat zij krankzinnig was en haar echtgenoot had verloren dooi

• een mijnontploffing, en dit gevaar en de ontmoeting met deze ongelukkige I vrouw, die van smart krankzinnig was geworden, bij den ingang van de mijn,

in dit verlaten land, onder dien somberen hemel, stemde ons zeer treurig. Men wees ons het huis van oom Gaspard; hij woonde op een kleinen afstand

• van de mijn, in 'n nauwe en steile straat, die naar den heuvel bij de rivier voerde. Toen ik naar hem vroeg, gaf een vrouw, die tegen de deur geleund stond en met een harer buurvrouwen in gesprek was, mij ten antwoord, dat hij eerst tegen zes uur van zijn werk terugkeerde.

— Wat wilt gij van hem hebben? vroeg zij. — Ik wilde Alexis bezoeken.

Zij nam mij toen van het hoofd tot de voeten op en wierp' vervolgens een blik op Capi.

— Zijt gij dan Rémi? Alexis heeft ons veel van u verteld; hij wachtte u. Maar wie is hij? Zij wees op Mattia.

Sluiten