Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te worden, was dat stellig wel zoo goed, dan langs den weg te loopen. In de mijnen behoeft men voor wolven niet bevreesd te zijn.

Wat zou Mattia doen, terwijl ik in de mijn was? Hij kon oom Gaspard toch niet tot overlast zijn? ik vroeg hem, of hij alleen met Capi voorstellingen in den omtrek wilde geven, waarin hij terstond toestemde.

— Ik ben blij, dat ik nu aUeen geld voor de koe kan verdienen, zei hij lachende.

Sedert de drie maanden, dat wij samen in de open lucht leefden, geleek Mattia volstrekt niet meer op het ziekelijke, bleeke kind, dat ik bij de kerk, bijna van honger stervende, gevonden had en nog minder op den mismaakten knaap, dien ik voor het eerst op den zolder van Garofoh ontmoette, bezig diens soep te koken en die van tijd tot tijd zijn gezwollen hoofd in de handen moest laten rusten. Hij had thans geen hoofdpijn meer; hij had geen verdriet en voelde zich nooit ziek; de straat Lourcine maakte hem zoo treurig; de zon cn dej lucht schonken hem zijn gezondheid en zijn vroolfjkheid terug.

Gedurende onze reis was hij zeer opgewekt geweest en beschouwde hij alles altijd van de goede zijde, schepte in alles behagen, was met een kleinigheid gelukkig en trachtte steeds in het slechte het goede te erkennen. Wat zou er zonder hem van mij geworden zijn? Hoe menigmaal maakten vermoeidheid en zwaarmoedigheid mij niet wanhopend?

Dit verschil tusschen ons kwam ongetwijfeld door ons karakter en onze natuur, maar ook door de verscheidenheid van afkomst en ras.

Hij was Itahaan en bezat een zorgeloosheid, een gemakkelijkheid om zich in alle moeilijkheden zonder morren of klagen te schikken, hetgeen mijn landgenooten niet kunnen, daar zij meer tot verzet en strijd geneigd zijn.

— Wat is dan uw land? ;zult gij vragen, hebt gij dan een land?

Dat zal ik eerst later beantwoorden; voor het oogenblik bedoel ik hiermede slechts dat Mattia en ik niets op elkander geleken, waaraan juist onze goede verstandhouding moet toegeschreven worden, die zelfs dan niet minder werd wanneer ik hem de noten en letters leerde. De muziekles leverde volstrekt geen bezwaren op, maar met het lezen was dit wel het geval geweest en licht had er een twist tusschen ons kunnen ontstaan, daar ik niet het geduld en de toegevendheid bezat van hen, die gewoon zijn kinderen te onderwijzen. Gelukkig kwam het nooit tot een uitbarsting tusschen ons, en zelfs wanneer ik onrechtvaardig handelde, hetgeen meermalen gebeurde, werd Mattia niet boos.

Wij besloten dus, dat, terwijl ik in de mijn werkte, Mattia eenige voorsteHingen zou geven, om ons inkomen te vermeerderen en Capi, dien ik met deze schikking bekend maakte, scheen het evenzoo te begrijpen.

Den anderen morgen gaf men mij het werkpas van Alexis.

Nadat ik Mattia en Capi nogmaas op het hart gedrukt had om toch vooral voorzichtig te wezen, volgde ik oom Gaspard.

— Pas op, zei hij, terwijl hij mij het licht overhandigde, volg mijn schreden en als gij de ladder afdaalt, laat dan nooit de eene trede los, vóór dat gij een andere vasthebt.

We verdwenen in de gangen, hij vooruit en ik hem op de hielen volgende.

— Als gij op de ladder uitglijdt, vervolgde hij, laat u dan nooit vallen, maar houd u tegen, want de bodem is diep en hard.

Ik had zijn waarschuwingen niet noodig om ontroerd te wezen; ik was uit mezelven reeds ontroerd genoeg, want niet zonder een zeker gevoel van angst verlaat men het daglicht, om den nacht tegemoet te treden, de oppervlakte van de aarde te verwisselen met haar peillooze diepten. Onwillekeurig keerde ik mij om, maar wij waren reeds te ver in de gang gevorderd en het daghcht in dien langen donkeren koker was niet meer dan een witte schijf, evenals de maan, wanneer ze aan een donkeren hemel zonder sterren schijnt. Ik schaamde mij over deze werktuigelijke beweging, die slechts een oogenblik duurde en vervolgde terstond zijn schreden. — De trap, zei hij weldra;

Wij bevonden ons voor een donker gat, in welks, voor mij bodemlóoze. diepte tallooze Jichtjes flikkerden, die bij den ingang vrij groot waren, maar slechts puntjes werden, naarmate zij meer van ons verwijderd waren. Het waren de lampen der mijnwerkers, die vóór ons de mijn waren binnengegaan; het geluid hunner stemmen drong als een dof gemurmel tot ons door, voortgedragen door een zwoele lucht, die ons in het gelaat woei; de lucht had een geur, dien ik voor het eerst in mijn leven rook; hij was echter met iets aromatisch ver-

Sluiten