Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was er aangeplakt, 't was een valsche staart. Een ander had een koe gekocht

met yalsche horens; een derde bespeurde, dat de uier was opgeblazen en dat zij niet meer dan een paar glazen mèlk gaf in de vier-en-twintig uren. Als wij eens op die wijze bedrogen werden I Voor een valschen staart is Mattia niet hang; hij zal met zijn volle gewicht gaan hangen aan den staart van alle koeien, die hij plan heeft te koopen; en hij zal zoo hard trekken, dat de staart, als hij valsch is, wel in zijn handen zal blijven Voor de opgeblazen uier heeft hij ook een middel; hij zal er met een speld in prikken. *

Dit waren middelen, die ontegenzeggelijk doeltreifend zouden wezen, als da staart valsch is, of de uier opgeblazen is; maar als de staart echt is, zal dan de koe geen geweldigen trap tegen den buik of het hoofd geven van hem, die eraan trekt, en zou zij hetzelfde niet doen, als men haar met een speld in het lichaam prikt? De kans op zulk een trap bracht eenige kalmte in de plannen van Mattia en wij bleven aan dezelfde onzekerheid ten prooi; het zou een vreeselijke zaak zijn aan vrouw Barberin een koe te geven, die geen melk gaf -of geen horens had.

Onder de verhalen, die men ons had verteld, was er één, waarbij een veearts een strenge rol speelde, althans tegenover een ossenkooper. Als wij een veearts in den arm namen, zou ons dit ongetwijfeld wel wat kosten, maar wij zouden dan zeker zijn van onze zaak. In onze verlegenheid besloten wij tot het laatste, wat ons, in alle opzichten nog het verstandigst voorkwam, en wij zefc ten vroolijk en tevreden onze reis voort.

Mont-Doré en Ussel liggen niet ver van elkander; wij legden dien afstand in twee dagen af en kwamen vrij vroeg in Ussel aan

Ik was hier in zekeren zin in mijn eigen land; te Ussel was ik voor het eerst in het publiek opgetreden als de knecht van den heer Jol i-C o e u r of de domste is niet hij, dien men er voor houdt. Te Ussel was het ook dat Vitalis mij mijn eerste paar schoenen had gekocht, die schoenen met Spijkers, die mij zoo gelukkig gemaakt hadden. Arme Joli-Coeur; hij was er' niet meer met zijn mooie roode uniform van engelsche admiraal, en Zerbino en de bevallige Dolce waren er ook niet meer.

Arme Vitalis; ook hem had ik verloren en nooit zou ik hem meer zien, zooals hij met opgeheven hoofd en met zijn breede borst vooruitstapte, terwijl hij met zijn armen en beenen de maat aangaf, een wals spelende op zijn schelle fluit. Van ons zestal waren er maar twee meer overgebleven: Capi en ik. Geen wonder, dat ik treurig te moede was, toen ik te Ussel kwam; onwillekeurig, verbeeldde ik mij, dat ik zoo straks den grijzen hoed van Vitalis zou zien wanneer ik den hoek eener straat omsloeg, en dat ik weer die bekende woorden zou hooren, die mij zoo vaak in de ooren klonken: ..Voorwaarts!"

De winkel van den oudkleerkoop, waarheen Vitalis mij gebracht had om een kunstenaars voorkomen aan mij te geven, verdreef gelukkig die sombere gedachten; ik vond dien nog evenzoo als ik hem de eerste maal gezien had, toen ik de drie ghbberige trappen afging. Voor de deur hing nog dezelfde rok met galons op de naden, die mij toen met bewondering had vervuld; en in de uitstalkast zag ik dezelfde oude geweren en dezelfde oude lompen. ,

Ik wilde ook de plaats terugzien, waar ik het eerst was, opgetreden, toen ik de rol vervulde van ,,de knecht van den heer Joli-Coeur", namelijk van den, domste der twee. Capi herkende eveneens de plek en'kwispelstaartte.

Nadat wij onze reiszakken en instrumenten in de herberg hadden gebracht, waar ik met Vitalis had gelogeerd, gingen wij een veearts zoeken.

Toen deze vernam, wat wij van hem vroegen, begon hij ons hartelijk uit te lachen. — Maar er zijn geen geleerde koeien in dit land, zei hij. — Wij willen ook geen koe hebben, die kunsten maakt, maar die goede melk geeft, ÏÏÈ

— En die een heuschelijken staart heeft, voegde Mattia er bij, wien de gedachte aan een valschen staart bijzonder kwelde.

— In één woord, mijnheer de veearts, wij komen uw hulp en kennis vragen om te voorkomen, dat wij door beestenkoopers worden bedrogen.

Ik zei dat op een voornamen toon, zooals Vitahs aannam, als hij de menschen wilde overbluffen

— En wat drommel woudt ge met een koe doen? vroeg de veearts. In weinige woorden had ik hem uitgelegd, wat mijn doel was.

— Je bent een paar góede jongens; morgenochtend zal ik met je naar de markt gaan, en ik beloof je, dat de koe, die ik koopen zal, geen valschen staart

Sluiten