Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar mijn vraag gaf hem aanleiding om ook een paar vragen te doen. Daar hij mij geantwoord had, was het niet meer dan billijk, dat ik hem ook antwoordde? — Hoe ben-je toch in die kerk gekomen? vroeg hij.

Op die vraag antwoordde ik met de vurigste verzekeringen van mijn onschuld Maar hij zag mij aan en haalde de schouders op; toen ik voortging met te bezweren, dat ik niet in de kerk geweest was, ging hij naar de deur en mompelde terwijl hij zich nog even naar mij omwendde:

_ Wat zijn ze toch bedorven, die Londensche straatjongens.

Daarop ging hij heen.

Die woorden maakten een pijnlijken indruk op me; hoewel de man mnn rechter niet was, had ik zoo gaarne gewild, dat hij aan mijn onschuld geloofde Aan mijn toon, aan mijn gelaat moest hij gezien hebben, dat ik geen kwaad had gedaan. Als ik hem niet overtuigd had, zou het mij dan mogelijk zijn, den rechter te overtuigen? Gelukkig had ik. getuigen, die Voor mij spreken zouden; en als de rechter mij niet hoorde, dan zou hij toch verplicht zijn om de getuigenissen aan te hooren, die mijn onschuld zouden bewijzen Maar die getuigenissen had ik noodig. Zou ik ze-hebben? Onder de geschiedenissen, die men mij verteld had, was er ook een, dat men ' aan gevangénen briefjes kon doen toekomen in het eten, dat zij kregen. Misschien zouden Bob en Mattia van dit middel hebben gebruik gemaakt, en toen dat denkbeeld in mij was opgekomen, begon ik mijn brood te kruimelen, maar ik vond er niets in. Behalve dat brood had men mij aardappelen gebracht i Ook deze kneedde ik fijn, maar er was geen stuk van een briefje: m te vinden |

Zeker hadden Mattia en Bob mij niets te zeggen of, wat waarschijnlijker was, konden zij mij niets zeggen Er bleef mij dus niets anders over dan den yol-flenden dag af te wachten, zonder al te veel aan mijn treurigheid toe te geven, zoo mij dit mogelijk was. Ongelukkigerwijze was mij dit met mogelijk en hoe -oud ik ook word, steeds zal mij de herinnering aan dien nacht voor den geest staan, alsof het gisteren was. Hoe onzinnig was het ook, dat ik met geloofd had aan de vrees van Mattia.

Den anderen morgen kwam de cipier in mijn cel met een kruik en een wasehkom. Hij zei mij, dat ik mij wat kon opknappen, als ik er lust m..had, want dat ik straks voor den rechter zou verschijnen en hij voegde er bij. dat een net voorkomen somtijds het beste verdedigingsmiddel voor een beschul- I «dfede is. Toen ik mij zoo netjes mogelijk had gemaakt, wilde ik op mijn bank gaan zitten, maar 't was mij onmogelijk om op mijn plaats te bhjven en ik hep in mijn cel heen en weer, zooals de dieren in hun kooi.

Ik wilde mijn verdediging en mijn antwoorden vooruit klaarmaken, maar miin hoofd was te veel in de war; ik kon niet denken aan mijn tegenwoordigen toestand; ik was met allerlei zonderlinge dingen bezig, die in mijn hersens zich verwarden, als de beelden in een tooverlantaam.

De cipier kwam terug en gelastte mij hem te volgen. Ik liep naast hem, en na een aantal gangen te zijn doorgegaan, kwamen wij aan een kleine deur, die hij opende. Een warme lucht kwlm mij tegen en ik hoorde een verward gebruisen. Ik trad binnen en bevond mij in een kleine, afgesloten ruimte de zaal van het gerechtshof. Hoewel ik aan een soort van zinsverbijstering ten prooi was en de aderen van mijn slapen voelde kloppen, alsof zij straks ber-| Pten zouden - een enkele blik, dien ik om mij heen wierp deed mij duidelijk zien al wat mij omringde, de geheele zaal en al de menschen, die er zich inbonden. Zij was vrij groot die zaal, zeer hoog en met breede ramen; zy was; Verdeeld in wee deelen: hei eene was voor de rechters en de beschuldigden, het andere voor de nieuwsgierigen Op een verhevenheid was de rechter gezeten? iets lager vóór hem zaten drie rechterlijke ambtenaren, zooals ik later vernam de griffier, een penningmeester voor de boeten en een ander rechter-hframbtónaar dien men in Nederland het „openbaar ministerie- noemt Voor miniafgesloten bankje zat iemand met een toga en een pruik, dat was mlTn advocaat Hoe kwam het, dat ik een advocaat ^d? Waar kwam hij va^: Si? Wie had hem mij gegeven? Dat waren vragen die ik op dit oogenblik moeilijk kon oplossen. Maar ik had een advocaat en dat was genoeg.

In een andere bank zag ik Bob zelf met zijn twee makkers; den herbergier uit De Eikenboom en melschen, die ik niet kende, en in een bank tegenover hem Lrkende ü den politie-agent, die mij in hechtenis had genomen. Ver-

Sluiten