Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„U bent een man en ik ben maar een jongen. U zult beter dan ik weten, wat uw plicht is. Ik geloof, dat U alles zult doen om uw belofte na te komen".

„Je kunt gerust zeggen mijn eed", dikte Tolbach aan.

„Hoor eens Jan Robin, het is vandaag den 29en Augustus 1914. Als jij den 29en Augustus 1915 niet van Tolbach hebt hooren spreken als van een man, die zijn vaderland een grooten dienst bewezen heeft, kun je mij bij de bevoegde autoriteiten gaan aangeven. Je kunt dan bij mij komen en zeggen:

„Je bent niet anders dan een lafaard, maak een einde aan je leVen ?"

„Ik geloof niet dat dit noodig zal zijn", antwoordde de jongen, „want ik heb vertrouwen in U".

Op deze sombere tweespraak volgde een lange stilte.

De geleerde was opgestaan en hep met groote passen in zijn laboratorium op en neer. Hij was geheel verdiept in zijn eigen gedachten en scheen zich blijkbaar niet te bekommeren over de tegenwoordigheid van onzen jongen held.

Eensklaps echter ging hij vlak voor de bank staan, waarop Jan was blijven zitten.

„Het is heel gemakkelijk, zeide hij, om te beweren, dat men groote dingen kan doen, maar men moet er ook toe in staat zijn".

Jan wilde iets in het midden brengen, maar de gek het hem niet aan het woord komen.

„Ik heb niet tevergeefs vijftien jaar lang dag en nacht gewerkt en als een kluizenaar te midden van mijn formules en instrumenten geleefd. Ik heb na lang zoeken ontdekkingen en uitvindingen gedaan, welke tot nu toe geheel onbekend waren.

„Ik reken erop, dat zij mij bij de uitvoering van de groote plannen, waarover ik je zoo juist sprak van zeer groot nut zullen zijn".

„Oh!" zeide Jan, „ik weet best, dat U een geleerde bent". Tolbach deed niet de minste moeite eenige bescheidenheid te toonen, maar hernam :

„Ja, ik ben een geleerde en als' je niet zoo jong was en

Sluiten