Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen in het water rondspartelenden gewonde, zijn hoofd was geheel bedekt door een verband, dat hij trachtte los te maken om beter te kunnen zien. Dit mocht hem echter niet gelukken en na de beide armen naar ons uitgestrekt te hebben, alsof hij ons te hulp wilde roepen, verdween hij in de golven".

„Ik erken, dat die ongelukkige met zijn verbonden hoofd, wanhopig met den dood worstelende, een diepen indruk op mij gemaakt heeft. Ik wilde probeeren hem te redden, maar toen ik op dek was gekomen met de bedoeling hem een touw of iets anders toe te werpen, waar hij zich aan vast zou kunnen klampen, was er niets meer van hem te zien, hij was evenals de anderen in de diepte verdwenen".

„Ja, het is inderdaad ontzettend", besloot de andere verpleger, „maar dat is de oorlog ; misschien komen wij morgen aan de beurt".

Na deze samenspraak verwijderden de beide mannen zich. Jan, die dit gesprek oplettend gevolgd had, begon zijn gevolgtrekkingen daaruit te maken.

Dus hij bevond zich aan boord van de „Kaiser Wilhelm" maar waarom spraken die menschen over hem als den matroos? Die man met het verbonden hoofd, was dat Tolbach niet ? Zeer waarschijnlijk wel, want hij was de eenige; die zijn hoofd in verband had gehad. Jan had ook gehoord, dat eenige passagiers zich in de sloepen hadden kunnen redden. Misschien bevond zijn moeder zich onder dezen.

Hoe onwaarschijnlijk deze veronderstelling ook scheen, zij was voldoende hem eenige hoop te geven.

Hierop besloot hij kenbaar te maken, dat hij weer tot bewustzijn gekomen was. Hij begon zich te bewegen en slaagde er in op den rand van zijn bed te gaan zitten.

Zich omkeerende bemerkte hij boven zijn hoofd een kaart en las met verbazing het volgende :

Otto Becker, stamboek No. 1246. F. H. 39. In het eerst begreep hij er niets van, maar plotseling herinnerde hij zich den identiteitsarmband en het zakboekje, dat Tolbach hem had gegeven.

„Wel verduiveld !" dacht hij, „zij hebben mij gered,

Sluiten