Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen de valsche prins zich te zamen met den jongen tegen twaalf uür naar het hoofdkwartier begaf, zeide hij:

„Laten wij hopen, dat de aviateurs niet het uur van de lunch zullen uitkiezen voor het werpen van hun bommen, want ik ben vandaag de gast van den kroonprins en ik zie geen kans mij aan deze uitnopdiging te onttrekken.

„Verduiveld!" riep Jan uit, „dat is een moeilijke kwestie, het zou wat moois zijn, als wij zelf gedood zouden worden door de bommen, die door ons toedoen op het hoofdkwartier zullen worden geworpen.... dat is de bedoehng niet".

Tolbach maakte een van die eigenaardige gebaren, die Jan vroeger, toen hij nog niet kolonel Vón Gloecken was, zoo dikwijls van hem gezien had en antwoordde:

„Mijn beste jongen, al de gevaren waaraan wij blootstaan behooren nu eenmaal bij onze zending".

„Zeker", hernam Jan, „U weet wel, dat ik niet bang ben, maar het zou toch al te kras zijn dit gevaar, dat wijzelf hebben uitgelokt, niet te kunnen ontloopen".

„De eénige manier, om niet door een verkeerden zet onzen geheelen opzet te verknoeien, is kalm het gevaar onder het oog te zien. Het feit, dat wij op het gevaarhjke oogenbhk* aanwezig zijn in het gebombardeerde huis, zal ons niet alleen van dienst zijn in de toekomst, maar zal ons ook de zekerheid geven, dat men ons nooit van eenig kwaad zal kunnen verdenken.... dat is wanneer wij er heelhuids afkomen".

De jongen kon tegen deze redeneering niet veel inbrengen en daar zij juist voor het hoofdkwartier waren aangekomen; gingen zij naar binnen om zich ieder naar hun post te begeven. De geleerde ging de officieren van den staf opzoeken in de groote onderaardsche zaal, waar een schitterenden overvloedigen maaltijd werd opgediend. „

Jan begaf zich in overeenstemming met zijn bescheiden rang, naar zijn vriend, den Beierschen soldaat, die hem bij zijn aankomst had ontvangen en naar de andere oppassers. Zoodra de soldaat den scheepsjongen bemerkte,

Sluiten