Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eik en laat mij nu maar fusilleeren, wanneer U denkt

dat het van eenig nut .voor U zal kunnen zijn".

De kolonel en de 'kapitein schenen besluiteloos. Het verhaal van dezen man was zoo goed in elkaar gezet, dat ze onder den indruk daarvan waren gekomen, niettegenstaande hij geen overtuigend bewijs daarvoor had kunnen geven.

Nadat zij eenige oogenblikken fluisterend met elkaar gesproken hadden nam de kolonel dan ook weer het woord:

„U bent er niet in geslaagd ons op deze wijze te overtuigen, maar ik ben niet ongenegen U in de gelegenheid te stellen ons een ander bewijs te leveren. Bent U bereid ons te laten zien, dat de onderaardsche gang, waarvan U gesproken heeft, werkelijk bestaat ?"

„Zeer zeker", hernam Tolbach, „ik herhaal, dat ik U zal kunnen laten zien, dat een der uitgangen zich op ongeveer 3C0 Meter van hier bevindt".

Plotseling scheen hij een ingeving te krijgen, vandaar dat hij vervolgde :

„Ik wil U het volgende voorstellen, kolonel. Geef mij vier geniesoldaten en het kruit noodig voor de lading van een mijn. Ik zal die mijn zelf onder Uw toezicht leggen op een mij bekende plaats. Deze mijn zal door een draad verbonden worden met Uw bureau en wanneer de Duitsche troepen zich in de onderaardsche gang bevinden, zult U haar kunnen doen springen. Ik geef U de verzekering, dat U hierdoor drie vijandelijke regimenten in de lucht zult laten vliegen". ■

De officier aarzelde en scheen zich af te vragen aan welk gevaar hij zijn manschappen zou blootstellen, wanneer hij dit oogenschijnlijk zoo verleidelijke voorstel zou aannemen.

Terwijl hij zich met den kapitein onderhield, was Tolbach op de tafel toegeloopen en had de telefoon weer ter hand genomen om opnieuw te probeeren verbinding met Jan te krijgen.

„Hallo! Jan, Hallo! Jan, ben je daar ?" vroeg hij.

Plotseling slaakte hij een kreet van vreugde, hij herkende de stem van den jongen.

Sluiten