Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een slagersjongen, of een troep soldaten met muziek voorop, of desnoods een ruzie tusschen een paar buurvrouwen.

En wat kan de straat voor goeds leeren aan een kleinen jongen van acht jaar? Nog is hij niet bedorven; ik merk het aan zijn omgang met de andere kinderen, aan z'n gesprekken en spelletjes in 't vrije kwartier. Maar onafwijsbaar moet op den duur de verderfelijke invloed van de straat op hem inwerken. En dan, arme Chris, wat moet er dan van je terecht komen?

Omdat het mijn plicht is, praat ik toch ook nog eens tegen hem. En hij is heelemaal overtuigd. Hij slaat z'n groote blauwe oogen naar mij op en belooft me alles, alles wat ik maar wil. En we scheiden als de beste vrienden.

Werkelijk gaat 't weer een weekje goed. En ik zou hem niet eens meer willen missen. Want hij is een prettige leerling, altijd er bij, en lang niet dom. En in 't speelkwartier is hij de ziel van 't spel, heeft hij alle jongens om zich heen.

Vandaag is 't brandweertje. Ze draven met z'n achten of tienen op een kluit in een heel lang touw; de voering uit hun pet hebben ze naar buiten getrokken én die toen weer opgezet met de klep als een hanekam boven op 't hoofd. Nu hebben ze een helm op, als de brandweer. Tingelingeling, daar komen ze aan, in vollen draf. Op een gegeven oogenblik staan ze plotseling stil, hier is „de brand". Met één arm omhoog, de beenen wijd van elkaar, staan ze te spuiten, pssj, pssj, met doodernstige gezichten. Als ik voorbij kom, zeg ik: „Denk er om, datje eerst alle menschen moet redden", en ze knikken wijs, al spuitend, en geen van allen lacht.

Zoo kan- 't morgen „de bereje plietsie" zijn, of „motorrije". Dat laatste vooral doet Chris graag. Zie hem op het

Sluiten