Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat was ze nijdig, he? Maar je hoeft je er niks van aan te trekken, want ze doet toch nooit wat."

'k Wierp een lange, vertroostende blik in die wijde, grijze kijkers en 'k dacht: „Kind, je hebt gelijk, ze doet je nooit wat. Jij met je gezond, klaar verstand en je sterke wil, jij zult er toch wel komen, al mis je de moederlijke leiding."

Toen streelde ik haar even over 't glanzige kopje en zei: ,Je bent een beste meid. Maar nu moet je gauw naar je plaats gaan."

We hebben het met onze Liesbeth wel hard te vefduren gehad, die eerste dagen! Zoowel de kinderen als ik zelf. Ze was ons levend geweten, de geïncarneerde critiek. Niets ontsnapte aan haar waakzaam oog, niemand was voor haar aanmerkingen veilig.

Midden in de mooiste vertelling, op 't spannende oogenblik} daar had je haar scherp stemmetje: .Juffrouw, die jongen let niet op, hij zit op z'n schoenen te spugen'"

Stond ik bij een klein onbeholpen gansje en probeerde ik haar te leeren, hoe ze haar griffel houden moest, dat 't niet zoo afschuwelijk piepte, dadelijk boog ze zich uit haar bank, om 't stumpertje nog eens vermanend toe te voegen: „Zie je nou wel? Ik had je toch ook al gezegd, dat je niet zoo mocht krassen?"

Maar ik was zelf evenmin veilig. Bij 't voorteekenen brak de punt van 't krijt af. „Je drukt ook veel te hard," kwam 't dadelijk onverbiddelijk uit haar mond. De deur sprong open. „Je hebt hem daareven ook niet goed in 't •slot 'getrokken,'* riep m'n meedoogenlooze rechter.

't Leukst was 't op een morgen, in 't speelkwartier, 't Was van dat druilige winterweer, dat je nauwelijks kunt uitmaken, of 't regent of dat 't droog is. Ik wou er

Sluiten