Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar eerst moet ik m'n kleine Elsje wat geruststellen.

„Je kent het verhaaltje toch," zeg ik. „Je weet toch wel, dat ze naar Klein Duimpje gaan, en dat die er wel raad op weet. Luister nu maar stil, dan zul je hooren, dat 't goed afloopt."

.„O juffrouw, ik vind het zoo naar! Mag ik dan zoolang bij u komen staan, tot het uit is?"

Haar twee kleine handjes omklemmen de mijne, haar hoofdje duwt ze in de plooien van m'n boezelaar. Zoo, dicht tegen mij aangedrukt, voelt ze wat troost en bescherming en nu kan ze het sprookje weer verder aanhooren.

Als 't goed gaat, als Klein-Duimpje dank zij de witte steentjes zijn weg terug vindt, heft ze haar kopje weer op, ziet me vol spanning aan. En als het hutje weer bereikt is en Vader en Moeder omhelzen de verloren gewaande kinderen, dan stralen haar lieve oogen me vol vreugde tegen, maar ook vol dankbaarheid, omdat ik het zoo goed laat afloopen.

Maar voor de andere kinderen begint het nu pas. Immers, nu komt het tweede bedrijf, met de broodkruimels. „En dan kunnen ze den weg niet terugvinden. En dan verdwalen zei En dan, dan wordt het donker!"

Voor mij ligt hier altijd het hoogtepunt van het drama. De verdere avonturen, ze zijn angstaanjagend en verschrikkelijk; het verblijf in de woning van den reus, die „kindertjes eet", je moet er niet aan denken; als hij „menschenvleesch ruikt" en overal zoeken gaat, dan kunnen er koude rillingen over je rug loopen. Maar toch, 't zijn sprookjes-avonturen, ieder kind weet in z'n hart, dat reuzen en menscheneters niet bestaan, en dat het dus ook niet „echt gebeurd" is. Terwijl de beklemming, die van het groote, in avondschemering gehulde bosch uitgaat, het gevoel van hulpeloosheid en angst voor allerlei dreigende gevaren zoo reëel is, dat

Sluiten