Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagen nog eens echt plezier wilden doen, dan moesten ze nu niet langer schreien, maar goed gaan opletten.

Vooral het laatste hielp. Ze droogden hun tranen, vouwden devoot de handjes en keken me braaf aan: „Zitten we zoo zoet genoeg?"

Alleen Elsje was niet tot bedaren te brengen. En omdat ik uit ervaring wist, dat iedere verdere poging haar nog maar meer van streek zou maken, liet ik haar stil aan haar lot over. En ik gaf een zucht van verlichting, toen eindelijk de bel ging en ze, nog steeds snikkend, in de rij mee liep.

Toen kwam de laatste ochtend.

De kinderen hadden het blijkbaar thuis verteld. De meesten waren „op hun Zondagsch." Sommige brachten bloemen voor mij mee, of hun portretje.

Het deed me toch even aan. Ik had daartoe trouwens niet veel noodig, want ik was zelf een beetje onder den indruk van het naderend afscheid.

Het was mijn eerste „vaste" klas geweest. Daarvóór had ik in veel klassen gewerkt, eerst als kweekeling, toen als-volontair, eindelijk als „tijdelijke". Maar dat was toch allemaal nog niet je ware. Je moest je richten naar de onderwijzeres van wie de klas hoorde, en, wat 't voornaamste was, je wist, dat. je over een paar weken de kinderen toch weer verlaten zou. Neen aan zoo'n „tijdelijke" klas, daar wilde je je niet te veel aan hechten.

Maar toen werd ik voor „vast" benoemd en trof toevallig de nieuwe cursus en „de kleintjes". Zoo kwamen we dus dien eersten dag samen in een nieuwe omgeving, vol hoop en verwachting en mét frissche idealen. Geen wonder, dat we dus dadelijk een band hadden.

Ik heb geploeterd en gewerkt met die klas en natuurlijk ook heel wat geblunderd. Maar ik blaakte van lust

Sluiten