Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARIE BOMBARIE.

„Ja juffrouw, u hoeft me d'r eigenlik niks van te zeggen, ik kan me best begrijpen, wat u met 'm uitstaat, 'k Zeg van de week nog tegen me man, die juffrouw van de school, zeg ik, dat mensch raakt al dr zonden an die jongen kwijt. Hoe u 't klaarspeelt om 'm vijf uur op een dag stil te houden, daar staat mijn verstand bij stil. Ik voor mijn zie geen kans, hem vijf minuten op z'n stoel te plakken; zóó heb ik m'n hielen gedraaid, of hij smeert 'm weer, de straat op. En een brutale mond, dat hij opzetten kan! Van al de andere vier samen, heb 'k niet zooveel last als van dat kind alleen."

Ze had me na vieren bij school opgewacht, moeder Van Ekeren, om eens te vragen, „hoe 't nou met Arie ging, op school! Maar nauwelijks had ik m'n mond open gedaan, of ze was me in de rede gevallen met een stortvloed van woorden, om haar overvol moederhart eens uit te storten.

„Weet u wat ik wel eens denk ?" ging ze voort, en aan het dalen van haar stem en haar geheimzinnig gezicht kon ik merken, dat er een confidentie in aantocht was, „toen hij komen moest, werd net me moeder ziek. An 't hart had ze 't, ziet u. En toen heb ik wat verlangd, om nog es naar dr toe te gaan! Maar ik kon niet weg he, 'k zat hier met vier kleine kinderen en eentje op de komst, breek daar maar ineens uit. En 't was nog niet eens naast de deur. Moeder woonde heel in Groningen. Nou, en toen

Sluiten