Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem lette — klonk het welluidend en fijn als een vogelgeluidje.

De jongens uit de klas namen in 't minst geen notitie van mijn prinsje, maar de meisjes waren dol op hem. In 't speelkwartier waren er altijd wel een paar, die hem bij de hand namen en mee in den kring trokken. Dan liep hij een klein poosje gewillig mee in de rondte te draaien, van

Blauwe, blauwe fingeroed Hadde we cheld en hadde we choed.. tot hij zachtjes z'n handjes los maakte en als een muisje tusschen de woelige bende doorglipte. Even later kon je hem dan in een hoekje van de speelplaats vinden, geheel verzonken in de bewondering van een glazen stuiter, die binnenin al de kleuren van den regenboog vertoonde of met z'n teere vingertjes een stukje glanzend rood staniol liefkoozend en er voorzichtig de kreukels uit strijkend. En als ik hem dan zoo zag staan, kon ik nooit de gedachte van mij afzetten; „Nu herinnert hij zich de duizend kleuren van de springfontein voor zijn voorvaderlijk paleis, of hij denkt aan de zijden gewaden, die zijn gracielijke moeder droeg."

Al wat ik aan dergelijk moois in handen kreeg, bewaarde ik dan ook voor hem: het goudpapieren „hoedje" van een apothekersfieschje, of een plakplaatje met een rose satijnen roosje; want ik wist, dat ik hem daar den heelen dag gelukkig mee maakte. Wat hij (er in zag? De gouden koningskroon van zijn vader, de bloemen uit het slotpark? Hij nam m'n geschenken altijd zwijgend aan, als een hulde, die hem vanzelf toekwam, bekeek ze lang en aandachtig en beloonde me alleen af en toe, met even z'n zachte kijkers naar me op te slaan.

Ik was trouwens niet de eenige, die hem verwende.

Sluiten