Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op die ezel staat, voor me kunnen omkeeren?" vroeg ik.

De jongen lachte. „Ik denk het wel, juffrouw." En versjouwde het bord.

„Dank je wel. Mag ik je nog eens laten roepen, als ik je noodig heb?"

De heele klas had het door, ze konden hun lachen niet laten. En Trui voelde, dat ze 't onderspit had gedolven en voor een poosje was ze wat meer gedwee.

Toch ging er met dat al zoowat geen les om, dat ze m'n vrede niet bedreigde. Zelfs ons kostelijk verteluurrje kon ze af en toe verstoren. Midden onder de vertelling, soms op 't spannendste oogenblik, zag ik dan een der omzittende kinderen onrustig worden, zitten draaien, fluisteren of onder de bank kijken, en jawel hoor, opeens klonk dan een luide noodkreet over de klas:

„Juffrau, Trui sit aldoor tege me schoone jurk an te trappe," of „Trui het me heele nieuwe boeselaar vol met inkt gesmeerd en nou krijg ik soo fan me moeder."

Dan stond plots de heele klas op stelten, de meisjes riepen: „O!" en „hè!" en „och juffrau, kaak u nou toch es!" en wierpen woedende .blikken op de schuldige. In hun hart dachten ze dan: „Akelig kreng, lekker, nou krijg je weer!"

Ja, dat was eigenlijk het allermoeilijkste bij Trui, dat eeuwige geharrewar met de andere kinderen. Als ik alleen met haar te doen had gehad, had ik het nog wel klaargespeeld. Maar de klas had zoo'n vurigen hekel aan haar, dat ze me alles, wat ik nu eens niet gemerkt had, of eens niet merken wou, kwamen overbrengen.

Ze konden zoo echt met wellust van haar komen klikken.

„Juffrau, Trui het dr tong tege de bofemeester uitgestoke! heusch waar juffrau, achter se rug."

Juffrau, Trui is an 't fechte met een groote jonge uit

Sluiten