Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G A A S S I E.

Z'n intree was niet bepaald glorierijk, 'k Herinner het me, alsof 't gisteren was. Nog zie ik het holle, vierkante schoollokaal met z'n naakte smakeloosrose gekalkte muren, nog troosteloozer in het vale licht van den grauwen Januari-morgen. Nog voel ik de ijzige door merg en been dringende kilte, die deze ruimte blijkbaar gedurende de Kerstvacantie heeft opgespaard en die zich, ofschoon de Etna-kachel roodgloeiend staat, maar niet zoo in een half uur verjagen laat. En nog kan me hetzelfde gevoel van onmacht bekruipen, als ik bedenk, hoe dan-tl dat kleine grut bij je binnengebracht wordt,' dat z'n aandeel verstandelijke en zedelijke leiding, z'n portie onderwijs en opvoeding van je komt eischen en dat je, om te beginnen, niet eens een behoorlijk verwarmd vertrek voor hun blauwe verkleumde leedjes kunt aanbieden.

Opeens, in de gang, een luid gebrul, als van een varken, dat gekeeld wordt, 't Gebrul zwelt aan, steeds meer en — als je voelt, dat het niet harder meer kan — verschijnt hij opeens in de deuropening, voortgesleurd door een resolute moeder.

Ze maken tegenwoordig wel van die poppetjes van wollen draad; als ze goed gemaakt zijn, kun je best raden, wat de armen en wat de beenen moeten voorstellen. Bij een arbeiderskind in winterdos is dat altijd niet zoo gemakkelijk uit te maken; gelukkig weten ze het zelf, zoodat je vrij gerust kunt aannemen, dat waar ze op staan, hun voeten

Kinderen uit m'n klas.

Sluiten