Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allerverschrikkelijksten leerling. Had ik hem alleen onder m'n leiding kunnen hebben — had ik een flinken lap grond voor hem beschikbaar gehad, ik zou mij geen idealer leerling hebben kunnen denken. Gezond en schrander, altijd eerlijk en rechtuit, levendig belangstellend in al wat van God geschapen of door menschenhanden gemaakt is, handig en practisch, begiftigd met een goed hart, een opgewekt humeur en en een groote dosis echten onvervalschten volkshumor, wat kan een mensch nog meer verlangen? En wat praat ik van aparte leiding? De jongen was overal op z'n plaats, leerde van alles en van iedereen, wist precies, hoe een chauffeur een auto bestuurt, een hoefsmid een paard beslaat, een melkbezorger de maat afmeet, de wagenbestuurder de tram laat wisselen, de schoenmaker een zool onder een schoen zet en dekoekebakkersjongen zes taartedoozen op z'n hoofd balanceert en dan nog kans ziet op en af z'n fiets te komen en de voorbijgangers te molesteeren.

En daarbij was hij ijverig en hulpvaardig' genoeg. Zoolang ik hem kon bezighouden met baantjes als kolen halen, banken versjouwen, boodschappen loopen, stapels schriften of leien naar 't berghok brengen, — liefst leien, die zijn zwaarder — had ik heusch geen kind aan hem. „Het u nog wat faur me te doen?" was 't dan, en „Laai u maar op juffrau, 'k bin sterrek! 'k Heb gistere paardeflajsch gegajte!"

Maar in de klas, onder de gewone les! O, laat me daar niet aan denken! Job's geduld en Salomo's wijsheid had je noodig — en dan kwam je er nog niet. Want stilzitten, 't was hem puur onmogelijk, dat beweeglijke kerngezonde jong met z'n ijzersterke spieren en z'n krachtig stroomend bloed. En z'n mond houden — hoe kan een mensch in 's hemelsnaam z'n mond houden, als hij haast overloopt van nieuws, als z'n moeder 's middags aardappels heeft

Sluiten