Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Pakje lei maar op Gijs en ga maar weer bij 't tafeltje staan." Het tafeltje is m'n verbeteringsgesticht, de afzondering wil nog wel eens heilzaam werken. Gaassie bezocht deze inrichting dan ook vrij geregeld, met meerder of minder succes. Maar op dagen als deze, als hij al te onrustig is zeker „paardeflajsch gegajte" — helpt zelfs dit isolement ook niet. Als ik dan ook na, laten we zeggen, vijf minuten voor den vijfden keer naar het tafeltje kijk, is hij weer ontsnapt. Hij staat een heel eind verder, bij de meisjesrij en is blijkbaar in een twistgesprek gewikkeld met een mijner Xantippe's, z'n kop achterover, één elleboog vooruit: „Sig! as je me nau!"

Dit keer hoef ik niets te zeggen: hij voelt m'n blik, kijkt op en druipt af als een geslagen hond.

„Zijn je sommen af, Gijs?" 'WÊs

„Naj jfrau, baana." Heel penibel en hard voortwerkend.

Dan is het circa half drie. Hoe we zoo'n middag dan om kregen, hoe we allebei tobden, worstelden, ploeterden ? Als ik het letterlijk opschreef, ik vrees, dat m'n verhaal zeer eentonig zou worden. En je kunt zoo'n kind ook niet de straat op sturen met een cent om knikkers te koopen en daarmee zichzelf te leeren rekenen in 't plantsoentje vóór de school; dat verbieden de verordeningen en de „paedagogiek."

Maar als het dan eindelijk vier uur was en je stond met ze in de gang, trillend op je beenen en te moe, om uit je oogen te kijken, dan kwam hij soms opeens berouwvol op je af: „Mauj lastig bin ik femiddag gewajst, he? Maar u sal 'r es sien, morrege gaan ik effies faan oppasse!" En terwijl de rij afmarcheert, knikt hij me nog eens veelbelovend toe: „Sal u dr es sien!"

Gaassie, Gaassie! Du meine Wonne, o, du mein Schmerz!

Sluiten