Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ze later, als ze 't heelemaal netjes volgeschreven had haar schrijfboekje mee naar huis mocht nemen. „En dan kun je je thuis nog eens oefenen op al die open plekjes". Toen was ze met het idee verzoend: „en daar kan me moeder dan nog es een briefje op schrijve", oordeelde ze praktisch.

't Ergste had ze het te stellen, als ik nieuwe pennen uitdeelde. Ten eerste: waren al die pennen nu wel genoegzaam versleten? Zij had b.v. met de hare gisteren nog best kunnen schrijven. Stel nu eens, dat er nog een stuk of wat zulke dragelijke pennen onder waren, die ook nog eenige dagen meegekund hadden! 't Was eenvoudig niet om aan te zien, zoo'n kapitaalsvernietiging! En dan, dan liet ik al die oude pennen ophalen — en zóó maar in de prullemand gooien! Wie gooide nu iets weg, dat nog zooveel waarde had? Wie weet, hoeveel ze nog wel per kilo opbrachten!

Zoo ongeveer moet haar gedachtengang wel geweest zijn, want alleen op die manier kan ik haar aarzelend verzoek verklaren, of zij die pennen mocht hebben, die in de prullemand lagen. En gelukkig heb ik het begrepen en haar stellig beloofd, dat ik ze een volgenden keer voor haar zou bewaren. Intusschen schijnt ze echter bij vader haar licht te hebben opgestoken, betreffende de handelswaarde van roestige pennen; ze heeft er tenminste nooit weer om gevraagd.

Arme kleine Juudje l Voor ons allen breekt eens de dag aan, waarop we tot de droeve ontdekking komen, dat er op de wereld ook nog andere menschen zijn, dan „ooms en tantes", die slechts ons welzijn beoogen. Vroeger of 'later ervaren we, dat veel van wat zoo mooi blonk en schitterde, enkel klatergoud of „zilverpapier" was. Maar nog nooit is iemand door die wetenschap gelukkiger geworden.

Sluiten