Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

me den rechten weg en onmiddellijk begreep ik de richting van Jan's schuw-begeerigen blik. En tegelijkertijd veelde ik aan m ij n maag, wat een honger die jongen ook moest hebben.

Ik lei een halve boteram op den hoek van 't tafeltje: „Daar, proef maar eens!" Half van mij afgedraaid greep hij het, bromde iets, dat werkelijk wel „dank-je" kon verbeelden en verdween er mee achter z'n lei.

Toen ik den volgenden morgen m'n twaalf-uurtje stond klaar te maken, zag ik opeens het bleeke spitse gezicht van m'n dierbaren Jan voor me en — pakte er voor hem ook een boteram bij in. Uit bravigheid? Of om zelf niets van m'n rantsoen te hoeven afstaan? Of om straks van m'n maal te kunnen genieten zonder door Jan's hongerigen blik gestoord te Worden ? De overwegingen voor onze daden zijn niet altijd precies op te geven, maar dit weet ik wel: met paedagogiek hadden ze op dat oogenblik niets uit te staan.

En na twaalven, toen 'k weer aan m'n tafeltje zat, maakte ik 't nog erger. Zoo onpaedagogisch mogelijk zei ik tegen m'n vis-a-vis daar ginds op de achterste bank: „Zie je, 'k dacht het al wel, dat jij me vanmiddag weer gezelschap zou houden, 'k Heb voor jou ook maar een boteram meegebracht. Hier, kom 'm maar halen."

We hadden teekenen dien middag en op een gegeven oogenblik stond ik iets op 't- bord vóór te doen. Daar hoorde ik gegrinnik achter m'n rug. 't Kwam uit den hoek, waar Jan zat en zonder er verder bij te dénken, keerde ik me om en zei: „Ga maar zoo lang uit je bank, Jan."

Opeens — zag ik heusch wel goed — daar liet die groote lummel zich voorover op z'n bank vallen en begon

Sluiten