Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een echte „Baangrachter" was ze, kort en stevig in elkaar getimmerd, met een paar felle blauwe oogen, strooblond haar waar een gouden gloed over lichtte, een brutaal sproeten-neusje en een mondwerk, zóó rad, zóó rad alleen van het aanhooren kon je al buiten adem rakenEen geboren baas-speelster: als ze op haar kleine sterke beenen zoo resoluut aan kwam stappen met haar air van: Menschen ga opzij, daar komt „Ik" an! dan moest je je vermannen, om te blijven staan.

Ze regeerde de heele klas. Zoowel voor en na schooltijd als in 't speelkwartier ordonneerde z ij, wat er gespeeld moest worden, kortaf zonder eenig amendement te dulden; en wie er mee mochten doen, met één blik van haar pientere oogen: „jij, jij, jij.... jij niet!" En aan dat vonnis viel dan ook niet meer te tornen, zelfs niet door mij.

Voor de aardigheid heb ik 't wel eens geprobeerd.

„Zeg Mien — tegen zoo'n rondzwervend eenlingetje met haar treurig verongelijkt snoetje — waarom doe je niet met de andere kinderen mee?"

Even een groote blik: „ 'k Mag niet meedoen van Engelientje!"

„Kom, dat heeft ze niet zoo gemeend. Ga maar mee, dan zal ik 't nog eens voor je vragen".

„Kinderen, Mientje zegt, dat ze niet met jullie mee mag doen. Dat 's toch een vergissing, he?"

Algemeen verlegen stilzwijgen, stomme blikken naar Engelientje. Maar die aarzelt geen oogenblik, ze zal me 't geval wel even uitleggen. ,Ja, siet u, juffrau, se het soo'n lange jurk^en die sliert aldoor in 't touw."

„Nou, maar dan zal ze d'r jurk wel goed omhoog houden, nietwaar Mien?"

En meteen duw ik haar in het kringetje.

„Nau, fruit dan maar; achteran!" snauwt m'n Engeltje, terwijl haar oogen vonken schieten.

Sluiten