Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn stem, dat hij zich zelf niet zoo geheel meester was als anders in moeilijke oogenblikken. „Beneden staat de smid te bellen, maar hij kan er natuurlijk niet in, omdat de gangdeur beneden klemt. Door de gebroken ruit van mijn studeerkamer boven zou ik den man kunnen toeroepen, een ladder te halen en door de bovenverdieping in het huis te komen; maar dat kan niet, omdat ik niet ui+ deze kamer schijn te kunnen. Ik zou nu ook een ruit in deze kamer kunnen stukslaan. Maar wat helpt ons dit ? Wanneer de smid de eene deur heeft opengestoken, zal er misschien weer een andere deur klemmen. Want het schijnt wel, dat alle deuren en vensters in dit huis klemmen. Dus lijkt mij het verstandigst en ook het veiligst — omdat de algemeene toestand in een dergelijk niet bewoonbaar huis onhoudbaar schijnt — dat wij zoo vlug mogelijk onze woning verlaten. De weg door de beneden-voordeur is ons afgesneden; daarom moeten wij onzen weg nemen langs den bovenweg, dus door het dak."

Hij had dit alles heel kalm, ingehouden, zonder drift gezegd. En omdat deze ingehouden kalmte na zijn woedebui den indruk maakte van de windstilte, die tusschen twee onweersuitbarstingen heerscht, zoo maakten deze, met veel ernst en diepe overtuiging gesproken woorden een merkbaren indruk op vrouw en kinderen.

Zijn vrouw was de eerste, die het woord nam. Ze zei het zenuwachtig, hetgeen in deze omstandigheden te verklaren was, en kort-af, hetgeen onder sommige omstandigheden juist lang genoeg is.

— „Maar hoe komen we hier de kamer uit?"

De twee meisjes begonnen bij dezen zin weer te schreien achter haar servetjes, want het leek wel, of haar moeder den spijker op den kop had geslagen; feitelijk zaten ze daar opgesloten achter die geheimzinnig gesloten deur, achter de onwrikbaar gesloten ramen. Tobias sprak in het geheel niet, omdat de indrukken van de twee laatste dagen en nachten hem reeds genoeg hadden aangegrepen, zoodat dit nieuwe zonderlinge avontuur hem heelemaal scheen te versuffen.

Sluiten