Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Zoo kan ik toch de straat niet op, jongeheer," stotterde ze verlegen.

Maar Tobias was vindingrijk.

— „Dan bindt je je boezelaar maar achterste-voren", zei hij. Dit was zóó eenvoudig en scheen een zóó voor-de-hand-liggende oplossing van de kiesche moeilijkheid, dat zonder een woord

ie zeggen net Kleurende dienstmeisje haar boezelaar van den voor- naar den achterkant kant schoof. Haastig liep ze de deur uit, de trap op, naar den. zolder.

— „Die zal zich alleen wel redden!", dacht Tobias, terwijl hij met het aardappelmes in de hand op de keukenmeid toe-

stapte, om op haar dezelfde operatie toe te passen.

Maar die was van een andere meening.

— „Je zult 't uit je hart laten, m'n goeie kleeren te verruïneeren, kwajongen!", riep ze nijdig van zich af, en dreigde met haar stevige handen naar Tobias. Deze keek wat beteuterd bij het onverwachte verzet. Hij kon de keukenmeid toch niet zoo aan haar lot overlaten! In eens viel

zijn oog op het turfhok; hij

wist, dat daar een bijl stond, om brandhout te kloven. Hij had de bijl reeds in zijn hand, was al begonnen de pooten van den stoel weg te hakken. Hij sloeg er op los, dat de splinters er af vlogen I De dikke keukenmeid hield zich aan den tafelrand vast, omdat ze bij eiken stoelpoot, die afgehakt werd, een van haar steunpunten voelde wijken. Toen de vierde poot aan splinters vloog, stond zij evenwel op haar eigen beenen; de zitting van

Sluiten