Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo volgden er nog eenigen. Het waren allen stevige, stoere boys, die hun buis hadden uitgetrokken, hun hemdsmouwen hadden opgestroopt, en hun gespierde bloote armen lieten zien. Maar het hielp hen niets. Geen kracht, geen handigheid, geen vlugheid scheen te baten! Wel klauterden de laatsten telkens iets hooger, en één was er zelfs, die tot op iets minder dan drie meter van den top genaderd was, toen hij zich uitgeput omlaag moest laten glijden, — maar die ellendige zeep, die hoe hooger je kwam steeds vetter werd, bleek een onoverkomelijke hinderpaal tè vormen.

De wedstrijd scheen geëindigd.

— „Nog iemand?" vroeg de leeraar.

— „Ja, meneer, ik nog!" riep een stem. Het was Tobias die geroepen had.

Daar was het de beurt van Tobias!

Zonder veel geestdrift, doch ook zonder meer hoon dan waarmede de anderen ontvangen waren, werd hij door de jongens begroet. Hij zou de laatste zijn, die zijn geluk beproefde, doch een kans gaf men hem niet. Men kende hem als een gewone jongen, die volstrekt niet gold als een haantje-de-voorste, al was hij evenmin een Jantje-Salie. Maar daarom gaf men hem juist geen kans. Hij was wel niet de zwakste jongen uit zijn klas, maar ook volstrekt niet de sterkste. Bij hun gemeenschappelijke spelen was hij altijd trouw van de partij, en al was hij daarbij nooit de minste, toch herinnerde niemand zich, hem ooit te hebben zien uitblinken. Waarom zou hij nu de eenige zijn, die dat onmogelijke kunststuk kon volbrengen, om in den ellendig-gladden mast te klimmen?

Tobias zelf scheen er evenzoo over te denken. Hij had meegelachen om het dwaze figuur, dat al die andere jongens beurt voor beurt gemaakt hadden. Toen zijn klasgenooten voor moesten komen, was hij mee aangetreden, zonder zich met overdreven ijver bij de eersten aan te melden. En zoo kwam het toevallig,

Sluiten