Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weermannen, geen werkvolk, geen politieagenten op het hooge dak van het Paleis.

Zou dus de kantelende koepel nog niet zijn opgemerkt?

Of zou men alle pogingen, om hier nog redding te bieden, als geheel vruchteloos hebben opgegeven?

Het waren alle vragen, waarop Tobias zelf geen antwoord kon geven.

Hij stond daar verslagen naar dit vreemde verschijnsel te kijken, en wist niet wat te doen!

Het gevoel had hij, dat hij wel gaarne de straat.had willen opsnellen, om zich zoo haastig mogelijk naar het bedreigde punt te begeven. Doch wat zou hij daar moeten doen? Hier had hij een kijkplaats, zooals hij geen betere kon wenschen; zijn kamertje lag hoog, over de huizen heen zag hij den breeden, donkeren rug van het Paleisdak, en daarboven den op één kant balanceerenden koepel. Wanneer straks het evenwicht verbroken zou raken, en het toren-gevaarte omlaag zou vallen, dan had hij er hier uit de hoogte het beste gezicht op, terwijl alle gevaar buitengesloten was, dat hij door neerstortende stukken'puin kon worden getroffen.

Maar tegelijk had Tobias het gevoel, dat hij geen aanspraak mocht maken op deze veilige uitzichtplaats, vanwaar hij, zonder eenige kans op gevaar, rustig kon toezien naar de dingen, die zouden gaan gebeuren!

Neen, Tobias begreep, dat, al was hij slechts een jongen, het zijn plicht was mee te helpen, iets te doen, iets te probeeren, teneinde dit afschuwelijke onheil nog af te wenden, indien het mogelijk was. Of die mogelijkheid bestond, — dat liet hij in het midden. Doch hier rustig uit zijn dakkamertje toe zien — neen! dat kon hij niet over zich verkrijgen!

En dan, — moest hij zijn vader, en de andere huisgenooten, niet op de hoogte stellen van het onheil, dat daar straks, zoo dicht bij hen in de buurt, ging plaats grijpen? Zou hij hen waarschuwen? Zou hij het geheele huis op stelten zetten?

Even schrikte Tobias daarvoor terug. Hij voelde zich een weinig

Sluiten