Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rampspoeden in, behield hij daarom zijn uiterlijke flinkheid, zoodat men hem hoorde razen en foeteren door het groote angstige huis, waar het aan alle kanten bleef dreigen van telkens nieuwe akeligheden. Het ontstellende van het geval was echter, dat zijn stem van de bovenste verdieping klonk en dat, door de een of andere onverklaarbare reden, hij daarboven scheen te worden bezig gehouden. Er was natuurlijk geen van de huisgenooten, die er slechts een oogenblik aan dacht, zich zelf naar de zolderverdieping te begeven, teneinde ter plaatse een onderzoek te gaan instellen, waarom de man en vader daar boven bleef, terwijl hij blijkbaar niet bij machte was, weer naar beneden te komen. Het eenige wat men veronderstellen kon, was, dat hij, nadat inspecteur Speurmans naar boven was gegaan, om Tobias op te zoeken, denzelfden weg als de politieman had willen volgen. En evenmin als men iets van Tobias noch den inspecteur van politie meer vernomen had, evenmin kon men zich nu een verklaring geven van het wegblijven van den vader. Maar terwijl de stemmen van Tobias en inspecteur Speurmans reeds lang zwegen, kon men duidelijk door het huis van Tante Drees de bulderende stem van den heer des huizes hooren. Hij scheen daarboven geweldig te keer te gaan; men hoorde hem rommelen en stommelen ; harde slagen klonken, alsof hij met den wandelstok, dien hij nog altijd in de hand vast hield, ergens met geweld tegen aan sloeg. Wat hij echter daar boven op het kamertje van Tobias uitvoerde en tegen wien hij zoo te keer ging, dat begreep niemand in huis.

Men liet hém dus daarboven alleen. Wat had iemand van de huisgenooten ook kunnen doen, om hem te hulp te komen, indien hij al waarlijk hulp mocht noodig hebben ? Niemand in huis was in staat, behoorlijk voor zichzelf te zorgen; niemand durfde zich bewegen van de plaats, waar men zich bevond ; niemand durfde eigenlijk zelfs een gebaar maken. Want wie kon zeggen, of in deze geheimzinnige omgeving, waar alles kleefde, verstijfde, roerloos en hard werd, het lot van den een of ander zoo dadelijk niet zou zijn, óók slachtoffer te woTden?

Sluiten