Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

angst hadden ze eensklaps bemerkt, hoe de deur van haar eigen kamer niet meer open ging. Hoe ze gebeukt en geduwd hadden, de deur wilde niet wijken. En toen zij in wanhoop haar vader te hulp hadden geroepen, was slechts een onderdrukt gebrul van den zolder tot haar doorgedrongen, waaruit zij meenden te moeten afleiden dat zelfs haar vader niet meer in staat was, haar hulp te bieden. Toen waren ze zonder tranen, zonder jammeren op het bed neergevallen, vast besloten, zich niet langer te verzetten tegen deze vreeselijke, geheimzinnige macht, die haar achtervolgde. Zoo wilden ze desnoods dood gaan... opgesloten .., eenzaam ... wanneer toch niemand haar redding kon brengen 1... En de wee meisjes duwden het hoofd diep in de kussens van het bed, gelaten

en toch wanhopig. Op dit oogenblik hoorden ze, hoe aan de deur van haar kamer

gemorreld werd.

— „Doen jullie 'sopen?", vroeg een stem.

Fietje, die de jongste was, doch de flinkste, hief zwak he hoofd uit haar kussen op. Zij had de stem flauw gehoord. He was of het Tobias was, die daar achter de deur stond. Doch zij vertrouwde haar ooren niet goed; alles was immers even geheimzinning 1 Zij fluisterde zacht naar haar zuster:

— „Cornelia!... Cornelia!"

Maar Cornelia wilde niet antwoorden.

— „Er is iemand aan de deur," drong Fietje aan.

— Laat mïj maar," klonk zoo zwak als een zucht de stem van Cornelia terug. Die was altijd een beetje aanstellerig, en ze overdreef altijd heel veel. Daarom was het lang zoo erg niet, toen zij, als met een laatste krachtsinspanning, er aan toevoegde: „ik ben toch al bijna dood..."

Buiten klonk nu duidelijk de stem van Tobias:

— „Draai den sleutel oml"

De deur was echter niet op slot.

Fietje was overeind op het bed gaan zitten, en zelfs Cornelia had het moede hoofd met een theatralen ruk terzijde geworpen.

Sluiten