Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Koppen neer," brulde de schipper. En wij lagen weer plat achterover en zagen 't indrukwekkend groote zeil, dat zoo keurig geboord was met een vinger-dik touw, over onze rompen scheren.

,,'t Wordt kwaad weer," bromde de schipper, „we gaan naar huis, de boel zou stuk waaien, we krijgen nog averij. Daar is geen aardigheid meer aan."

Inderdaad de wind was opgestoken, de zon ging schuil, donkere wolken kliefden door 't luchtruim, ,,'t'Werd koud," zei Kareltje en hij kroop met zijn bloote beentjes onder moeders rokken.

O, Chrysanthème, en gij, geliefde tweeling, ook gij, zachte, zoete baker, Mia en Trientje, hoe zoudt ge nu gevaren zijn met uw vlindertooi? Zoudt ge dan niet het jammerlijk beeld hebben getoond van het vlindertje, dat te vroeg uitvloog, gelokt door 't voorjaarszonnetje en dat 's avonds verschrompeld en vernietigd terneer lag?

Zoudt ge niet met bronchitus en longontsteking,

Sluiten