Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekomen. Alle stammen hebben beloofd hèn te verdedigen, die den weg zouden versperren aan haar die, door onze overleveringen is voorspeld als redster in den nood. Mij beeft men de zending opgedragen, me te begeven naar het kamp der Comanchen en verbonden Apachen, om hun oorlog of vrede aan te bieden. Met vreedzame' betuigingen hebben zij geantwoord. Maar toen ik den terugweg aannam naar mijn dorp, spanden zij, die ge gedood hebt, mij een valstrik. En mijn lijkzang had ik aangeheven, bedroefd was ik tot in het diepste mijner ziel, omdat ginds te Wheeier een oude krijger, mijn vader, mijne tegenwoordigheid afwacht, om terug te keeren in den schoot van den Grooten-Geest.

Het Zwarte Paard, murmelde Scipio, zich den naam herinnerend door den stervende geuit van hei Indiaansche 'dorp.

Een huivering doortrilde den Seminol: Hoe kent mijn broeder dien naam?

En Scipio gaf hem verslag van de ontmoeting in den wigwam te Wheeier.

Het leven van Vuurhart behoort u toe, omdat ge het hebt behouden. Gij zijt het hoofd van ons huis, want zooals het den oudsten zoon betaamt, hebt ge mijn vader een begrafenis bezorgd. Nu noodzaakt niets mij meer om naar mijn dorp terug te gaan. Ik zal uw gids zijn naar het meer Aqua Negra.

Geen half uur was nog verloopen, of de drie mannen, die zoo wonderlijk in de wildernis tot elkander waren gekomen, verlieten de droge bedding der Canadeesche rivier en spoedden zich ijlings heen naar het Zuiden.

Zoo zwierven zij gedurende vier dagen, des nachts marcheerend en uitrustend gedurende de zonnige uren van den dag.

Door bergpassen, ravijnen en langs steile afgronden trokken de reizigers, achter elkander voortstappende, te midden van een reusachtigen chaos. Vuurhart had de leiding op zich genomen. Met de verwonderlijke snelheid, eigen aan zijn ras, ontdekte hij de

begaanbare paden, wist hij alle hindernissen uit den weg te ruimen, door niets zich latende afbrengen om de richting van het Zuiden vol te houden. Een dertigtal Seminolen, die men onderweg had ontmoet, hadden zich bij den stoet aangesloten.

Den vijfden dag eindelijk, bij het aanbreken van den dageraad, daalde men af in een ruim dal, waarin het sombere water glinsterde van een klein meer.

Aqua Negra! zei Vuurhart. Het Zwarte Water.

Allen stonden stil. Eenzaam en verlaten zag dit oord eruit in zijn omgeving. Rondom het meer verhieven zich puntige zwarte rotsen, in den vorm van naalden, ter hoogte van drie a vierhonderd meter, en het water dat ze terugkaatste, had een zwarte tint aangenomen als van inkt.

.Maar op het plateau, waar zijn vrienden hun kamp hadden opgeslagen, wachtte Scipio een treurige verrassing.

Op dekens uitgestrekt, in de schaduw harer tent, lag de Mestiza, bleek en machteloos, den schouder mét linnen omwikkeld. Rondom haar stonden Fabian Rosales, de hacendado van San Vicente. Francis Gairon met zijn Peter en een bediende van Krekel, de jonge Coëllo, — van wien Bell destijds had gesproken tijdens het bezoek van Scipio aan Aurora — een type van Indiaansche schoonheid.

Op eenigen afstand bevond zich het hoofd-mayo de Puma, omringd door zijn Indianen, wier aantal door het leveren van gevechten .tot zes man was geslonken.

Diep bewogen knielde de Marseillaan bij de sponde van Dolora. De ademhaling der gekwetste was zoo zwak, dat hij aanvankelijk ze niet kon onderkennen.

Arme vrouw! zuchtte hij zij is dood!

Nog niet^antwoordde de plechtige 'stem van Senor Rosales.

Zal zij ervan opkomen? vraagde Scipio angstig.

Misschien! zei Fabian Rosales.

Sluiten